Alle soorten › Roofdieren › Mangoesten › Egyptische ichneumon
Egyptische ichneumon | Herpestes ichneumon
Egyptian mongoose | Meloncillo
De Egyptische ichneumon is de enige mangoeste die van nature in Europa voorkomt, in het zuidwesten van het Iberisch Schiereiland; daarbuiten leeft hij in een groot deel van Afrika en in de Levant. Van de Spaanse roofdieren is hij het meest overdag actief. Hoe hij op het Iberisch Schiereiland is gekomen is omstreden: over de Straat van Gibraltar in het Laat-Pleistoceen, met de Romeinen of in de Moorse tijd, of via meerdere van die wegen. Sinds het eind van de jaren tachtig breidt de soort zich noordwaarts uit.
Sporen
De prent meet gemiddeld 34,7 mm breed en 37,6 mm lang (zonder hiel) en is asymmetrisch: het zoolkussen heeft de vorm van een trapezium dat aan de buitenkant verder naar achteren reikt. Er zijn vijf tenen met niet-intrekbare nagels en een zoolkussen van vier lobben. Omdat de dieren vaak in groep achter elkaar lopen, vallen de prenten over elkaar heen en zijn ze moeilijk te lezen. De keutel is cilindrisch, gemiddeld 13,9 cm lang en 1,5 cm dik, donker en glanzend, en bevat soms eigen haar met de kenmerkende afwisselend witte en zwarte banden. Keutels liggen op latrines van 4 tot 10 keutels bij rust- en voortplantingsplekken; die latrines worden het meest gebruikt in de paartijd (februari–maart) en na de voortplanting (september–oktober). Gegraven gaten bij konijnenholen wijzen op het uitgraven van jonge konijnen.
Herkenning
Een langgerekte, laaggebouwde mangoeste met korte, dunne poten, een spitse kop en een lange staart die aan de basis breed is en in een zwarte pluim eindigt. De vacht is gespikkeld grijs: zwarte haren met roomgele punten of bruine haren met zilvergrijze punten, geringd in wit en zwart. De voeten hebben vijf tenen met niet-intrekbare nagels. De pupil is horizontaal, wat onder roofdieren weinig voorkomt.
Gelijkende soorten
In Iberië is er geen andere mangoeste. Steenmarter en boommarter hebben een bruine, niet gespikkelde vacht, een ruige staart zonder zwarte pluim en een lichte keelvlek. De Indische mangoeste van de Adriatische kust is veel kleiner (25–37 cm kop-romp, 305–662 g) en mist de zwarte staartpluim; de twee soorten komen in het gidsgebied niet samen voor.
Leefgebied
Mediterraan struikgewas met steeneik en kurkeik, oeverbos, en akkerland met oeverbegroeiing. De soort gebruikt zachte bodems langs de rand van begroeiing, paden en struweel als dekking. Rust- en schuilplaatsen liggen in holen, holle stammen, boomholten en rotsspleten.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Een groot deel van Afrika, de Levant en het Iberisch Schiereiland; binnen het gidsgebied verder Marokko, Algerije, Tunesië, Egypte, Israël, Syrië, Jordanië en het zuiden van Turkije. In Iberië is de soort het talrijkst in de Algarve, de Sierra Morena en Doñana. In Portugal bleef zij tot het eind van de jaren tachtig beperkt tot het gebied ten zuiden van de Taag; daarna breidde zij zich snel naar het noorden uit, en rond 2010 bezette zij bijna heel Portugal behalve het uiterste noordwesten. In Spanje zijn dieren tot in de Arribes del Duero gevonden. Als oorzaken van de uitbreiding worden het opgeven van landbouwgrond met herstel van struikgewas en het warmer worden van het klimaat genoemd; wegen en verstedelijkte kusten remden haar af.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Van de Spaanse roofdieren het meest overdag actief, met de meeste activiteit rond het middaguur en in de namiddag. Ichneumons leven niet strikt solitair: overdag jagen ze afzonderlijk, maar ze brengen de nacht in familieverband door in holen. De jongen volgen de moeder in een rij. In een tweejarig onderzoek bestonden groepen uit één tot zeven dieren. Het voedsel is gevarieerd: ongewervelden, vis, amfibieën, reptielen waaronder slangen, vogels, eieren, zoogdieren, aas van herten en wilde zwijnen, en soms vruchten; in delen van Iberië hebben jonge konijnen, die uit de burcht worden gegraven, de voorkeur. De paartijd valt in het voorjaar; na een draagtijd van ongeveer elf weken worden in de zomer 2 tot 4 jongen geboren, die ongeveer een jaar bij de moeder blijven.
Waar en wanneer kijken
Omdat de soort overdag actief is, is zij in Zuidwest-Iberië in de middag te zien, vooral langs de rand van struweel, op zandwegen en langs oeverbegroeiing. Een groepje dieren dat achter elkaar een weg oversteekt, is kenmerkend. Latrines langs paden bij dicht struikgewas wijzen op een vaste rustplaats.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2016). Op het Iberisch Schiereiland neemt de soort toe en breidt zij zich uit. Door sommige jagers wordt zij als concurrent om konijnen illegaal gedood, en de pardellynx is een van haar natuurlijke vijanden. Over de herkomst wordt nog gediscussieerd: resten uit Muge in Portugal zijn gedateerd in de tijd van het emiraat van Córdoba (756–929 na Chr.), genetisch onderzoek laat ook een natuurlijke kolonisatie in het Laat-Pleistoceen toe, en een overzicht uit 2021 stelt meerdere introducties voor, van de prehistorie tot de vroege middeleeuwen, en vraagt of de soort in Iberië terecht als exoot wordt beschouwd.
Wetenschappelijke naam
Herpestes ichneumon | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Viverra Ichneumon; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Herpestes is het Griekse herpēstēs 'kruiper', bij herpein 'kruipen'. ichneumon is het Griekse ichneumôn 'spoorzoeker', bij ichneuô 'nasporen': de naam die de Grieken aan dit dier gaven, dat de eieren van de krokodil zou opsporen. Het staat als zelfstandig naamwoord naast de geslachtsnaam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Egypte.





