Alle soorten › Insecteneters › Mollen en desmans › Europese mol
Europese mol | Talpa europaea
Common Mole | Topo Europeo
De Europese mol is een ondergronds levende insecteneter van het grootste deel van Europa ten noorden van de Pyreneeën. Het dier zelf wordt zelden gezien; de soort wordt vrijwel altijd vastgesteld aan de hand van molshopen en gangen. Die sporen komen overal voor waar de bodem diep, vochtig en rijk aan regenwormen is.
Sporen
De molshoop is het bekendste zoogdierspoor van Europa en wordt tegelijk vaak verkeerd toegeschreven. Hij bestaat uit losse, kruimelige aarde die van onderaf door een verticale schacht omhoog is geduwd en heeft daarom geen zichtbare opening: de aarde ligt kegelvormig rond een afgesloten midden, is vers donker en vochtig en valt in brokjes uiteen. Hoogte 10 tot 30 cm, doorsnede 20 tot 40 cm; de hopen liggen in een lijn of een onregelmatige groep langs de gang. De woelrathoop verschilt daarvan: hij is platter en breder, heeft een ovale opening aan de zijkant die vaak open ligt, en bevat plantendelen, wortelstukjes en grashalmen, omdat de woelrat in de wortelzone graaft; in de buurt liggen afgeknaagde wortels van fruitbomen en aangevreten knollen, en de gang is breder dan hoog, terwijl die van de mol hoger is dan breed. Verder zijn er oppervlaktegangen: ribbels vlak onder de zode die door gazon of weiland lopen en onder een voetstap inzakken. Op natte grond bouwt de mol een burcht, een hoop van soms een meter doorsnede en een halve meter hoogte, met daarin het met gras beklede nest. In de winter komt de aarde van dieper en zijn de hopen groter en kluitiger. Bij graafwerk wordt soms de voorraadkamer gevonden: tientallen tot honderden regenwormen die met een beet in de voorste segmenten verlamd zijn en levend worden opgeslagen, zodat ze niet wegkruipen en niet bederven. Prenten zijn zelden te zien, vrijwel alleen in modder langs sloten, en zijn te herkennen aan de brede, naar buiten gedraaide voorvoet. In juni bewegen jonge mollen zich bovengronds tijdens de verspreiding; dan worden dode dieren op paden en wegen gevonden, vaak door een buizerd of reiger opgepakt en weer losgelaten.



In zijn leefgebied

De kop van dichtbij

Herkenning
Een cilindrisch dier zonder zichtbare hals, met een zwarte, fluweelachtige vacht waarvan de haren in elke richting kunnen liggen; daardoor kan het dier zich in een nauwe gang even gemakkelijk achteruit als vooruit bewegen. De voorpoten zijn brede, naar buiten gedraaide graafpoten met vijf zware nagels en staan zo ver naar voren dat er geen schouder zichtbaar is; de achterpoten zijn klein en onopvallend gebouwd. De snuit is roze, kaal, spits en beweeglijk, met de neusgaten aan de zijkant; de ogen zijn niet groter dan een speldenknop en liggen verborgen in de vacht; uitwendige oorschelpen ontbreken. De staart is kort, aan de basis dik, en wordt bij het lopen rechtop gehouden, zodat hij het dak van de gang raakt. Geelbruine, grijze of witte exemplaren komen bij deze soort relatief vaak voor. Mannetjes zijn gemiddeld groter en zwaarder dan vrouwtjes.
Gelijkende soorten
Bovengronds is verwarring nauwelijks mogelijk: geen ander Europees zoogdier heeft zulke graafpoten. De moeilijkheid ligt bij de mollen onderling. De Iberische blinde mol (Talpa occidentalis) bewoont het grootste deel van Spanje en Portugal, de Romeinse mol (Talpa romana) het Italiaanse schiereiland en de blinde mol (Talpa caeca) de gebergten van Zuid-Europa; bij de laatste zijn de ogen bedekt door een huidvlies, wat met een loep aan een dier in de hand te zien is maar niet in het veld. Verder zijn deze soorten op uiterlijk en formaat niet te scheiden en bepaalt de vindplaats de soort. Op het Iberisch Schiereiland is dat de gewone situatie: de Europese mol komt alleen in het noordoosten van Spanje voor, en in de rest van het schiereiland zijn molshopen van de Iberische blinde mol afkomstig. In het veld gaat de determinatie vooral over de hopen, en daarbij is de woelrat (Arvicola amphibius) de meest voorkomende verwarringsbron; zie de sporen. Ook woelmuizen, ratten en gravende bijen werpen hoopjes op, maar die zijn kleiner, korreliger en hebben een zichtbaar gat.
Leefgebied
Alle terreinen met een bodem die diep, vochtig en rijk aan regenwormen is: vochtig grasland, hooiland, weiland, akkers, dijken, houtwallen, loofbos met een goede humuslaag, parken, gazons, sportvelden, begraafplaatsen en tuinen. Sterk zure venen, kale stuifzanden, zeer droge en permanent verzadigde bodems worden gemeden. In het gebergte komt de soort voor tot ongeveer de boomgrens. De dichtheid hangt af van het aantal regenwormen en daarmee van een bodem die het hele jaar enig vocht vasthoudt.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Vrijwel heel Europa ten noorden van de Pyreneeën en ten westen van de Oeral, van Noord-Spanje en de Alpen tot in Midden-Scandinavië en Rusland. In Spanje beperkt tot de Pyreneeën en omgeving, met het Ebrodal, Navarra en Noord-Catalonië als hoofdgebied; in de rest van het Iberisch Schiereiland wordt de soort vervangen door de Iberische blinde mol, en in Portugal ontbreekt zij. In Groot-Brittannië komt de mol algemeen voor op het hoofdeiland, tot in de Schotse Hooglanden; hij ontbreekt in Ierland, dat nooit door de soort is bereikt, en op Man, de Buiten-Hebriden, Orkney en Shetland. In Nederland en België komt hij overal op het vasteland voor, op klei zowel als op zand, en ontbreekt hij op de Waddeneilanden. De mol behoort tot de weinige algemene zoogdieren van het boerenland waarvan de aantallen niet zichtbaar afnemen.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Nachtactief, maar in de praktijk de klok rond actief in een vast ritme van ongeveer vier uur activiteit en vier uur rust, dag en nacht en in alle seizoenen. Er is geen winterslaap: bij vorst trekt de mol zich terug in diepere gangen, en de hopen die dan verschijnen zijn groter omdat de aarde van dieper komt. Het gangenstelsel werkt als valsysteem: regenwormen die in de gangen terechtkomen, worden tijdens vaste rondes verzameld. Naast regenwormen eet de mol emelten, engerlingen, keverlarven, duizendpoten en naaktslakken; de dagelijkse voedselopname bedraagt ongeveer de helft van het lichaamsgewicht. Buiten de paartijd is de soort strikt solitair en wordt het gangenstelsel tegen soortgenoten verdedigd. In maart en april graven de mannetjes zich naar de vrouwtjes toe; na een draagtijd van ongeveer vier weken worden drie tot vier naakte jongen geboren in het met gras beklede nest. In juni verlaten de jongen het stelsel; dat is de enige periode waarin mollen in aantal bovengronds rondtrekken en er veel sterven. In het wild wordt een mol zelden ouder dan drie à vier jaar.
Waar en wanneer kijken
Deze soort wordt vooral aan de hand van sporen waargenomen. Loop na een zachte, natte nacht een weiland af en onderscheid verse hopen (donkere, vochtige, kluitige aarde) van oudere, uitgeregende grijze hopen; de lijn van verse hopen geeft de richting van de gang aan. Bij sneeuw is aan verse hopen op een wit veld af te lezen hoeveel mollen actief zijn. Het dier zelf is het best te zien in juni, bij greppels, tuinen en paden, of door bij een pas opgeworpen hoop te wachten tot de aarde opnieuw beweegt; dat gebeurt vaker in de vroege ochtend. Een buizerd die langdurig op een weiland naar de grond kijkt, wacht op dezelfde beweging.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2017) en in het hele areaal algemeen. De soort staat niet op lijsten van bedreigde soorten, maar wordt op grote schaal bestreden op landbouwgrond, sportvelden, gazons en dijken; die bestrijding is de enige factor die lokaal de aantallen beïnvloedt. De wettelijke status verschilt per land: in Groot-Brittannië is de mol niet beschermd en is mollenvangen een beroep; in Nederland is de soort beschermd, met een provinciale vrijstelling voor bestrijding; in België verschilt de regeling per gewest. In Spanje komt de soort slechts in een klein deel van het land voor, en bestrijding daar betreft vrijwel altijd de Iberische blinde mol. Een grotere bedreiging dan bestrijding vormt de toestand van de bodem: verdichting, ontwatering en het verdwijnen van regenwormen uit intensief bewerkte akkers verkleinen het voedselaanbod.
Wetenschappelijke naam
Talpa europaea | Linnaeus, 1758
Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Talpa is het Latijnse woord voor 'mol'. europaea is Latijn voor 'Europees'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden, Kristianstad.






