Alle soorten › Insecteneters › Mollen en desmans › Blinde mol

Blinde mol | Talpa caeca

Blind Mole | Topo Ciego

De blinde mol is een van de kleinste Europese mollen en de enige met een areaal dat verdeeld is over twee schiereilanden: de westelijke Alpen en de Apennijnen aan de ene kant van de Adriatische Zee, de bergen van de westelijke Balkan aan de andere. Overal waar hij voorkomt, leeft ook een grotere molsoort, en de blinde mol is daar in de regel de minder algemene: hij bewoont de randen van het landschap, hoog in de bergen, in karstdolines en op hellingen waar de grotere soort niet komt.

Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.

Sporen

Het enige gewone spoor is de molshoop, en die is kleiner dan bij de Europese mol: een hoop bevat 1,3 tot 5 kilo opgeworpen aarde. De gangen hebben een doorsnede van 4,4 tot 5 cm en liggen gewoonlijk 10 tot 20 cm diep; in bos met losse grond zakken ze tot 25 à 35 cm. Aan de hopen zelf is de soort niet van andere mollen te onderscheiden: een reeks kleine molshopen in een karstdoline of op een berghelling boven de 1000 meter is een aanwijzing, maar geen bewijs. Andere sporen zijn voor deze soort niet beschreven; bovengronds komt het dier maar zelden.

Herkenning

De blinde mol heeft dezelfde cilindrische bouw, dezelfde graafschoppen en dezelfde fluwelige vacht die alle kanten op kan liggen als andere mollen, maar is met een kop-romplengte van ongeveer 10 tot 12 cm en een gewicht van 40 tot 65 gram duidelijk kleiner en lichter dan de Europese mol. De vacht is zwartgrijs en wordt als iets glanzender beschreven. De ogen zijn altijd door huid bedekt: er is geen oogspleet, alleen een vlies waaronder het oog ligt, en dat is met een loep op een dood dier te zien. De neusspiegel is kleiner dan bij de Europese mol. Mannetjes zijn 13 tot 25 procent groter dan vrouwtjes, en de maat verschilt per streek en met de hoogte: op de Balkan en waar een grotere mol in de buurt leeft zijn de dieren gemiddeld kleiner. De maten hierboven komen van Zwitserse dieren. Inwendig heeft de soort een eigen chromosoomgetal (2n = 36, tegen 34 bij de andere Europese mollen), en het bekken is meestal van het zogeheten caecoïde type, met een aan de achterkant open vierde heiligbeengat ; deze kenmerken zijn alleen in het laboratorium vast te stellen.

Gelijkende soorten

Uiterlijk scheidt vrijwel niets deze soort van de andere Talpa-soorten; formaat en vindplaats zijn in het veld de enige aanknopingspunten. Tegenover de Europese mol (Talpa europaea), met wie hij de Alpen en de westelijke Balkan deelt, beslist het oog: bij de Europese mol is een kleine oogspleet aanwezig, bij de blinde mol ligt het oog volledig onder de huid; daarbij is de blinde mol kleiner, met een smallere snuit. De Romeinse mol (Talpa romana) van Midden- en Zuid-Italië is zijn naaste verwant en heeft eveneens bedekte ogen, maar is duidelijk groter en zwaarder, met een massieve schedel. Op de zuidelijke Balkan geldt hetzelfde voor de Balkanmol (Talpa stankovici): ook bedekte ogen, maar groter. Waar twee soorten in dezelfde streek voorkomen, leven ze zelden op precies dezelfde plek: de blinde mol bezet doorgaans de plekken die de grotere soort niet gebruikt. Een zekere determinatie berust op schedel, gebit of DNA.

Leefgebied

Een breed scala aan leefgebieden, mits de bodem diep en los genoeg is: de soort heeft een voorkeur voor diepe zandige, zandig-lemige en lemige bodems en mijdt harde, droge weiden. Hij leeft in bergweiden met een dunne bodem en in vochtige bossen met diepe, lichte grond, van kastanje, eik en beuk tot zilverspar, den en fijnspar, en is gevangen in struwelen van jeneverbes, hazelaar en braam. In uiterwaarden bewoont hij rietlanden en biezenvelden en bossen van witte abeel, wilg, els en pluimes. Noordhellingen bieden vaak betere omstandigheden dan de drogere zuidhellingen, en in het karstgebied van de westelijke Balkan vindt hij geschikte grond vaak alleen op de bodem van dolines. De hoogte loopt van zeeniveau (5 m aan de Dalmatische kust) tot ongeveer 2200 m, uitzonderlijk 2500 m; het zwaartepunt ligt boven de 1000 m.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Het areaal bestaat uit twee gescheiden delen. Het westelijke deel omvat de westelijke Alpen — Zwitserland, Noordwest-Italië en Zuidoost-Frankrijk — en de Apennijnen van Italië tot het Sila-massief in Calabrië. Het oostelijke deel ligt in het gebroken berglandschap van de westelijke Balkan: Zuidoost-Bosnië en Herzegovina, het aangrenzende Dalmatië, Montenegro, Kosovo, West-Noord-Macedonië, Albanië en West-Griekenland. Genetisch zijn die twee helften duidelijk van elkaar gescheiden: een westelijke lijn in Italië en Zwitserland en een oostelijke op de Balkan. Binnen het areaal komt de soort overal samen voor met een grotere mol — de Europese mol in de Alpen en op de westelijke Balkan, de Romeinse mol in Italië, de Balkanmol op de zuidelijke Balkan — en is ze doorgaans de minder algemene van de twee.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

De blinde mol leeft vrijwel geheel onder de grond en komt slechts af en toe boven. Over zijn levenswijze is weinig bekend. In maaginhouden zijn regenwormen gevonden. De voortplanting begint vermoedelijk in het voorjaar; er is een zogend vrouwtje eind mei gevangen. Over de sociale organisatie spreken de gegevens elkaar tegen: sommige auteurs beschrijven de soort als solitair en territoriaal, terwijl er in één gangenstelsel ook drie tot zes dieren van beide geslachten en verschillende leeftijden zijn gevangen. Een specifiek dagritme is niet beschreven. Door zijn kleinere formaat kan de soort rondkomen op plekken met weinig voedsel, en dat verklaart vermoedelijk waarom zij de marginale plekken bezet die grotere mollen niet gebruiken.

Waar en wanneer kijken

Zoek op plekken waar de grotere molsoort ontbreekt: hoge bergweiden, karstdolines, noordhellingen en bossen met losse bodem, vooral boven de 1000 meter. Kleine molshopen daar zijn een aanwijzing, geen bewijs. Een dood dier, bijvoorbeeld door een kat of een roofvogel achtergelaten, is de beste kans op zekerheid: bekijk met een loep het oog — een oog dat volledig onder de huid ligt sluit de Europese mol uit — en noteer formaat, gewicht en vindplaats. Ten opzichte van de Romeinse mol en de Balkanmol zijn formaat en vindplaats de aanwijzingen; voor een definitieve determinatie zijn schedel of DNA nodig.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2024). Het areaal is groot en omvat veel berggebied waar de bodem weinig wordt bewerkt. Tegelijk is de blinde mol overal de minder algemene van twee molsoorten, met bevolkingen die vaak beperkt zijn tot marginale plekken zoals dolines en hooggelegen weiden, en is de kennis over zijn aantallen en levenswijze klein. De Rode Lijst beoordeelt de soort als geheel; de twee genetisch gescheiden helften van het areaal hebben geen eigen beoordeling.

Wetenschappelijke naam

Talpa caeca | Savi, 1822

Savi beschreef de soort in 1822 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Talpa is het Latijnse woord voor 'mol'. caeca is Latijn voor 'blind'; bij deze mol is het oog door de huid overgroeid. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Italië, Pisa.