Alle soorten › Roofdieren › Civetkatten en genetkatten › Genetkat

Genetkat | Genetta genetta

Common genet | Gineta

De genetkat is een civetkatachtige (Viverridae). Het verspreidingsgebied omvat een groot deel van Afrika, het Arabisch Schiereiland en Zuidwest-Europa. In Europa wordt de soort als recent beschouwd: genetisch onderzoek wijst op invoer vanuit Noord-Afrika in historische tijd. In het gidsgebied leeft zij in Spanje, Portugal, Zuidwest-Frankrijk en op Mallorca, Ibiza en Cabrera.

Genetkat (Genetta genetta)
Foto: Scarabinol — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Sporen

In Doñana maten voorprenten gemiddeld 29,8 mm lang en 30,2 mm breed, achterprenten 29,5 mm lang en 25,8 mm breed. De keutel is gemiddeld 10 cm lang en 1,3 cm dik en bevat veren, haar, botjes en tanden van kleine zoogdieren, dekschilden van kevers, vruchten en zaden. De genetkat legt zijn keutels in latrines op verhoogde, vlakke plekken: rotsblokken, stenen, dikke takken en boomstronken. In Doñana lag 80% van de gevonden sporen bij beken en 20% op boswegen. De soort markeert daarnaast met geur.

Herkenning

Ter grootte van een huiskat, maar met een langer, slanker lichaam, kortere poten en een staart die bijna even lang is als de romp. Kop-romp 43 tot 55 cm, staart 33 tot 49 cm, gewicht 1,5 tot 2,3 kg; de dieren van Ibiza wegen niet meer dan 1,3 kg. De vacht is grijsbruin met rijen zwarte vlekken over de flanken en een smalle donkere streep over het midden van de rug. De staart draagt acht tot tien donkere ringen afgewisseld met lichte, en heeft een lichte punt. De kop is spits, met grote, afgeronde oren en een donkere maskertekening boven de snuit. De nagels zijn half intrekbaar.

Gelijkende soorten

Een huiskat heeft een kortere romp ten opzichte van de poten, een kortere snuit, kleinere oren en een veel kortere staart; een gevlekte huiskat heeft nooit de combinatie van lange, dunne geringde staart en spitse kop. De wilde kat is zwaarder (3,5 tot 8 kg), heeft een vage streeptekening in plaats van vlekken en een dikke, stompe staart. De Egyptische ichneumon, die in Iberië in hetzelfde gebied leeft, is gespikkeld grijs zonder vlekken, heeft een staart die aan de basis breed is en in een zwarte pluim eindigt, en is overdag actief.

Leefgebied

Bos en struweel in warme en gematigde streken op geringe hoogte: steeneiken-, eiken- en kurkeikenbos en de dehesa, waar zij talrijk is, verder olijfgaarden, oeverbos, maquis, rotsig terrein en dennenbos. Dekking van struiken of bomen is nodig; zeer droge gebieden worden gemeden.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Afrika ten noorden en ten zuiden van de Sahara, het Arabisch Schiereiland en Zuidwest-Europa. In Europa leeft de soort op het Iberisch Schiereiland, in Zuidwest-Frankrijk en op Mallorca, Ibiza en Cabrera; zij ontbreekt op de Canarische Eilanden. De Iberische dieren behoren tot de nominaatvorm; op de Balearen leven aparte ondersoorten. Zij is vermoedelijk in historische tijd vanuit Noord-Afrika in Spanje terechtgekomen en heeft zich van daaruit naar Frankrijk en Portugal verbreid. Losse waarnemingen zijn gedaan in België, Duitsland, Nederland, Italië en Zwitserland. Binnen het gidsgebied komt zij verder voor in Marokko, Algerije, Tunesië en Libië.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Overwegend 's nachts actief, het meest van zonsondergang tot middernacht, met soms een tweede piek voor zonsopkomst. De dag wordt doorgebracht in holle bomen, holle stammen, dichte begroeiing, tussen rotsen of in een hol in de grond. De genetkat klimt goed, maar is het meest op de grond actief. Solitair; het leefgebied varieert van 0,25 tot 50 km². Het voedsel bestaat vooral uit kleine zoogdieren, in het bijzonder knaagdieren, en verder uit vogels, reptielen, amfibieën, vissen, insecten, eieren en vruchten. Er kunnen twee voortplantingsperioden per jaar zijn; na een draagtijd van 70 tot 77 dagen worden tussen maart en november meestal twee of drie jongen geboren, met een geboortegewicht van 60 tot 85 g. De geslachtsrijpheid valt op 19 tot 24 maanden.

Waar en wanneer kijken

Zoek latrines op rotsblokken en dikke takken langs beken in de dehesa en in mediterraan bos. Een cameraval bij een latrine of op een stenige beekoever registreert de soort vaak. 's Nachts is zij met een lamp te zien op takken en rotsen, waar de lange, geringde staart het eerste kenmerk is.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2015). In Iberië is zij een wijdverbreide soort. De ondersoort van Ibiza, G. g. isabelae, geldt in Spanje als kwetsbaar (VU), met versnippering van het leefgebied als oorzaak.

Wetenschappelijke naam

Genetta genetta | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Viverra Genetta; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Genetta is het Franse genette 'genetkat', dat via het Spaanse gineta uit het Arabische jarnayt komt. De soortnaam herhaalt de geslachtsnaam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Spanje, Madrid.