Alle soorten › Roofdieren › Hondachtigen › Gewone jakhals
Gewone jakhals | Canis aureus
Golden jackal | Chacal dorado
De gewone jakhals of goudjakhals was tot enkele decennia geleden in Europa beperkt tot Griekenland en de Balkan. Sinds de jaren vijftig breidt de soort zich naar het noorden en westen uit; in 2022 en 2023 werden de eerste dieren in Finland, in Noorwegen boven de poolcirkel en in Spanje vastgesteld. Sinds 2015 geldt de soort als Euraziatisch: de Afrikaanse populaties die vroeger onder dezelfde naam vielen, worden nu als aparte soort, Canis lupaster, behandeld.
Sporen
De voorprent meet 5,5 tot 6,5 cm lang en 3,8 tot 4,4 cm breed, de achterprent 5,0 tot 5,7 bij 3,4 tot 3,9 cm: iets groter dan die van de vos. Het kenmerk waarop het determineren berust, is dat de toppen van de twee middelste tenen aan de basis vergroeid zijn tot een hoefijzervorm, bij voor- en achtervoet; dat is alleen op een perfecte prent vast te stellen. In draf zet de jakhals de achtervoet niet precies in de voorprent maar er iets achter. De keutel is in het veld niet met zekerheid van die van vos of hond te onderscheiden, en ook een gedode prooi kan niet aan de jakhals worden toegeschreven op grond van het beeld alleen. Het meest bruikbare teken is het gehuil, dat vooral van december tot april, in de paar- en voortplantingstijd, te horen is.
Herkenning
Een hondachtige tussen vos en wolf in. Vergeleken met de vos hoger op de poten en steviger gebouwd, met een kortere staart van 20 tot 30 cm die meestal het donkerste deel van het dier is. De vacht is goudgeel tot geelbruin, op rug en flanken donker gemêleerd door een mengsel van zwarte, bruine en witte haren, wat soms een donker zadel geeft. Rond de bek, op keel en borst zit wit. De achterkant van de oren is goudbruin, niet zwart zoals bij de vos. Ten opzichte van de wolf is de jakhals veel kleiner en fijner, met een slankere snuit. In Europa wegen mannetjes 11 tot 16 kg en vrouwtjes 8 tot 13 kg, bij een schouderhoogte van 44 tot 50 cm; de maten in de kop van deze bladzijde komen uit een overzicht over het hele areaal en liggen lager.
Gelijkende soorten
De vos is de gewoonste vergissing: kleiner, laagpotiger, roder, met zwarte oorachterkanten, zwarte 'sokken' en een langere staart met meestal een witte punt. De wolf is veel groter, met een bredere kop en een zwaardere bouw; een jonge wolf in de zomer is het lastigste geval. Grote, geelbruine honden van het herdershondtype kunnen op een cameravalbeeld op een jakhals lijken. In Noord-Afrika leeft Canis lupaster, die er vrijwel hetzelfde uitziet en vroeger tot dezelfde soort werd gerekend; in het gidsgebied overlappen de twee soorten nauwelijks. Het gehuil is een betrouwbaar kenmerk: een reeks van twee of drie lage, eenvoudige huilen die overgaat in een hoge, staccato reeks kreten.
Leefgebied
In Europa vooral structuurrijke landschappen dicht bij water: rietlanden, moerassen, rivieroevers en ruigten, afgewisseld met akkers. Gemeden worden hoge gebieden met langdurige sneeuw, intensief gebruikt akkerland zonder dekking en gebieden die door wolven bezet zijn. Elders in het areaal leeft de soort ook in bos, mangrove, landbouwgebied en aan de rand van dorpen en steden, waar hij 's nachts afval zoekt; in India is de soort tot 2000 meter hoogte vastgesteld.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Van Zuidoost-Europa en Turkije via de Levant, het Arabisch Schiereiland, Iran en Centraal-Azië tot India, Sri Lanka en delen van Zuidoost-Azië. In Europa lag het zwaartepunt tot enkele decennia geleden in Griekenland en op de Balkan. Vanaf de jaren vijftig volgde een uitbreiding naar het noorden en westen; in 2015 en 2016 kwamen de eerste meldingen uit West- en Noord-Europa, en voortplanting is inmiddels vastgesteld in onder meer Italië, Duitsland, Tsjechië en Polen. De verste vondsten tot nu toe zijn een dier in Finland (maart 2022), een in Noorwegen boven de poolcirkel (februari 2023) en een in Spanje (januari 2023). Binnen het gidsgebied komt verreweg het grootste aantal waarnemingen in GBIF uit Israël; in Europa volgen Roemenië, Griekenland, Italië en Bulgarije.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Overwegend nachtactief, maar overdag actief waar de soort ongestoord is of wanneer prooi dan beschikbaar is. Jakhalzen leven alleen, in paren of in kleine groepen; paren blijven meestal levenslang samen en verdedigen gezamenlijk een leefgebied van ongeveer 5 tot 15 km². De soort is een alleseter: knaagdieren, amfibieën, reptielen, hazen, vogels, aas en plantaardig voedsel, en in groepsverband ook grotere prooi. In Europa valt de paartijd in januari en februari; na ongeveer 60 dagen worden meestal vier of vijf jongen geboren, met een uitschieter tot twaalf. Oudere jongen helpen soms bij het voeren. Jonge dieren kunnen meer dan 200 km ver wegtrekken, wat de snelle uitbreiding verklaart. In het wild worden ze tot ongeveer acht jaar oud. De soort houdt geen winterrust.
Waar en wanneer kijken
Het gehuil is de gemakkelijkste manier om de soort vast te stellen: in de schemer of 's nachts, op een rustige plek in een bekend gebied, vooral tussen december en april. Op de Balkan en in Noordoost-Italië zijn rietlanden en rivieroevers de beste zoekgebieden. Buiten het vaste areaal gaat het om zwervers; een foto, een geluidsopname of een monster voor DNA-onderzoek is dan nodig om een melding te laten beoordelen, omdat prent, keutel en prooiresten niet sluitend zijn.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2018), en de Europese bevolking groeit. De soort staat in Europa op bijlage V van de Habitatrichtlijn: bejaging is toegestaan zolang de staat van instandhouding gunstig blijft. De uitbreiding geldt als natuurlijk, niet als door de mens veroorzaakte introductie, hoewel enkele landen de soort als uitheems hebben ingedeeld. Als oorzaken worden het verdwijnen van de wolf uit grote delen van Europa, klimaatopwarming, veranderingen in het landschap en het grote aanpassingsvermogen van de soort genoemd. Illegaal afschot, afschot door verwisseling met een andere soort en het verkeer zijn de belangrijkste doodsoorzaken.
Wetenschappelijke naam
Canis aureus | Linnaeus, 1758
Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Canis is het Latijnse woord voor 'hond'. aureus is Latijn voor 'gouden, goudkleurig', bij aurum 'goud', naar de goudgele vacht. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Iran.






