Alle soorten › Roofdieren › Hondachtigen › Canis lupaster
Canis lupaster | Canis lupaster
African Golden Wolf | Canis lupaster
Canis lupaster is in 1832 door Hemprich en Ehrenberg beschreven uit de Fajoem in Egypte, maar werd anderhalve eeuw lang als ondersoort van de gewone jakhals behandeld. Genetisch onderzoek sinds 2011 heeft laten zien dat de Afrikaanse 'goudjakhalzen' een eigen soort vormen, die nauwer aan de wolf verwant is dan aan de Euraziatische jakhals. In het gidsgebied leeft de soort in Noord-Afrika, van Marokko tot Egypte. In de literatuur wordt hij ook Afrikaanse wolf of Afrikaanse goudwolf genoemd.
Sporen
Specifieke beschrijvingen van prent, spoorlijn of keutel van deze soort zijn in de gebruikte bronnen niet gevonden. Het gaat om een hondachtige prent met vier tenen en nagelindrukken, in formaat tussen die van vos en wolf. Voor de verwante gewone jakhals geldt dat de toppen van de twee middelste tenen vaak aan de basis vergroeid zijn, maar dat dit alleen op een perfecte prent te zien is. Een prent of keutel volstaat niet om de soort van een hond te onderscheiden; DNA uit keutel of haar is de gangbare route, en in Noord-Afrika is een groot deel van de huidige kennis over de verspreiding langs die weg verzameld.
Herkenning
Een middelgrote hondachtige met een wolfachtige bouw: groter dan de Afrikaanse jakhalzen van het geslacht Lupulella en kleiner dan de kleinste grijze wolven. Cameravalbeelden uit Marokko tonen een fors dier met een zware nek en een stevig lijf. Het holotype heeft een rosse kop met gespikkeld voorhoofd en oren en een donkere rugkam van zwartgepunte haren van de nek tot de staart. Over de uitwendige maten van deze soort zijn in de gebruikte bronnen geen samenvattende cijfers gevonden; de kenmerken waarmee het dier van de gewone jakhals is onderscheiden liggen in de schedel: een langer en smaller verhemelte, een smallere tussenoogkasbreedte en een zijdelings plattere bovenhoektand.
Gelijkende soorten
De gewone jakhals (Canis aureus) is uiterlijk nauwelijks te scheiden; beide soorten zijn tot 2015 onder één naam gevoerd omdat schedel en gebit sterk overeenkomen. In het gidsgebied overlappen de twee nauwelijks: de gewone jakhals leeft in Europa, Turkije en de Levant, Canis lupaster in Noord-Afrika. Waar beide in de buurt van de Sinaï en de Nijldelta zouden kunnen voorkomen, beslist alleen DNA. De vos is kleiner, laagpotiger, heeft zwarte oorachterkanten en meestal een witte staartpunt. Verwilderde en zwervende honden komen in hetzelfde gebied voor en zijn op afstand en op cameravalbeelden een reële verwarring.
Leefgebied
De beschrijvingen van de 'goudjakhals' in Afrika uit de tijd vóór de splitsing hebben volgens de herbeschrijving uit 2017 betrekking op deze soort. Die noemen halfwoestijn, grasland en savanne, tot 3800 meter hoogte in Ethiopië. In het noorden van het areaal gaat het om droge open landschappen, struweel en berggebieden; in Marokko is de soort vastgesteld in de Midden-Atlas. Menselijke nederzettingen worden 's nachts bezocht voor afval.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Noord-, West- en Oost-Afrika. Een studie uit 2012 vond de soort over een afstand van meer dan 6000 kilometer, van Senegal en Marokko tot Egypte en Ethiopië. Binnen het gidsgebied liggen de waarnemingen in Algerije, Marokko, Tunesië en Egypte; in GBIF komen de meeste recente meldingen uit Algerije. Of en waar de soort in de omgeving van de Sinaï en de Nijldelta aan het areaal van de gewone jakhals grenst, is niet opgehelderd.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Wat hieronder staat komt uit Afrikaanse studies die onder de naam goudjakhals zijn gepubliceerd en die volgens de herbeschrijving op deze soort slaan. De soort is overwegend nachtactief, maar met een flexibel ritme. De basiseenheid is een paar, soms met jongen van eerdere jaren die als helpers de welpen mee voeren; paren in Tanzania bleven langdurig bij elkaar en verdedigden samen een territorium. Het voedsel is gevarieerd: knaagdieren, hagedissen, slangen, vogels, hazen, jonge gazellen en daarnaast plantaardig materiaal. De draagtijd bedraagt ongeveer 63 dagen; in Tanzania telde een worp gemiddeld vijf tot zeven jongen, met uitersten van één en acht. De soort houdt geen winterrust.
Waar en wanneer kijken
In het gidsgebied is de soort het best te zoeken in de Noord-Afrikaanse berg- en steppegebieden, in de schemer en 's nachts. Een cameraval langs een pad of bij een waterplek levert meer op dan zoeken op zicht. Omdat de soort in het veld niet met zekerheid van een hond of een gewone jakhals te onderscheiden is, heeft een waarneming meer waarde met een foto en, waar mogelijk, een keutelmonster voor DNA-onderzoek.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2019). De taxonomie is recent: in 2011 werd de Egyptische 'jakhals' als aparte wolfachtige lijn herkend, in 2015 toonde genoomwijd onderzoek aan dat de Afrikaanse en Euraziatische goudjakhalzen verschillende soorten zijn, gescheiden sinds 1,0 tot 1,7 miljoen jaar, en de auteurs gebruikten de naam Canis anthus. In 2017 werd anthus als onbruikbare naam (nomen dubium) beoordeeld en kreeg lupaster voorrang. Over aantallen en trends in Noord-Afrika zijn weinig gegevens beschikbaar.
Wetenschappelijke naam
Canis lupaster | Hemprich & Ehrenberg in Ehrenberg, 1833
Hemprich & Ehrenberg in Ehrenberg beschreef de soort in 1833 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Canis is het Latijnse woord voor 'hond'. lupaster is Latijn lupus 'wolf' met het achtervoegsel -aster, dat een onvolkomen gelijkenis uitdrukt: dus zoiets als 'halve wolf'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Egypte, Fayum.





