Alle soorten › Knaagdieren › Muizen en ratten › Huismuis

Huismuis | Mus musculus

House mouse | Ratón Casero

De huismuis heeft zich met de mens over de wereld verspreid: met de eerste graanopslag, met schepen naar eilanden en andere continenten, en komt nu vrijwel overal voor waar mensen wonen. Het is een cultuurvolger in strikte zin, geen wild dier dat af en toe binnenkomt. In Noordwest-Europa overleeft de soort de winter buiten gebouwen nauwelijks; op het Iberisch Schiereiland, waar de Algerijnse muis het open veld bewoont, is ze nog sterker aan gebouwen gebonden dan in Midden-Europa.

Huismuis (Mus musculus)
Foto: 4028mdk09 — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Sporen

Van de huismuis worden vrijwel altijd de sporen gevonden en niet het dier. De keutels zijn 3 tot 8 mm lang, spoelvormig met puntige uiteinden, zwart en glanzend als ze vers zijn, hard en dof als ze oud zijn, en liggen niet in een latrine maar verspreid; één muis laat er tientallen per etmaal achter, langs plinten, in laden en op planken. Rattenkeutels zijn twee tot drie keer zo groot en stomper. Langs vaste looproutes ontstaan veegsporen: donkere, vettige strepen aan de onderrand van een muur, rond een gat of over een balk, waar vuil uit de vacht zich met urine en vet vermengt. Waar een route lang wordt gebruikt, ontstaan soms urinepilaartjes: harde torentjes van een halve tot enkele centimeters hoog van opgedroogd vuil en urine, een spoor dat bij geen ander Europees zoogdier voorkomt. In stof en meel staan de prenten: vier tenen aan de voorvoet en vijf aan de achtervoet, samen minder dan een centimeter, vaak met een dunne sleepstreep van de staart ertussen. Knaagsporen zijn onregelmatig en te herkennen aan paarsgewijze groeven van ongeveer 1 mm breed in karton, hout, isolatie, zeep, kaarsvet en kabelmantels; graankorrels worden uitgehold en de lege doppen blijven liggen, hazelnoten krijgen een rond gat met tandgroeven op de rand. Het nest is een bolvormige prop van versnipperd papier, textiel, isolatiewol en plastic, in een spouw, achter een apparaat, in een matras of onder de vloer. 's Nachts is in een bewoonde ruimte geritsel, gekras en een fijn, hoog gepiep te horen; het grootste deel van de geluiden van de huismuis is ultrasoon en voor mensen niet hoorbaar.

Huismuis, keutels langs de plint, zwart, spits aan beide einden en nauwelijks een halve centimeter lang, met het aangeknaagde tapijt ernaast
Keutels langs de plint, zwart, spits aan beide einden en nauwelijks een halve centimeter lang, met het aangeknaagde tapijt ernaast · Foto: Matt Frye, NYS IPM Program at Cornell University — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

In zijn leefgebied

Huismuis, buiten het huis, in de strooisellaag van een tuin in zuid-hessen; 's zomers leeft een deel van de populatie in het veld
Buiten het huis, in de strooisellaag van een tuin in Zuid-Hessen; 's zomers leeft een deel van de populatie in het veld · Foto: 4028mdk09 — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Het jong

Huismuis, jong dier aan het gemorste vogelvoer tussen boomwortels, baden-württemberg
Jong dier aan het gemorste vogelvoer tussen boomwortels, Baden-Württemberg · Foto: 4028mdk09 — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een kleine, slanke muis met een spitse snuit, uitpuilende zwarte ogen en grote, ronde, dunne oren. De vacht is bruingrijs tot vaalbruin. Het doorslaggevende kenmerk is de buik: die is grijs tot geelwit en gaat geleidelijk over in de rugkleur, zonder scherpe grens en zonder zuiver wit. Dieren die binnenshuis leven, zijn donkerder en hebben een vettiger vacht dan dieren uit het veld. De staart is even lang als kop en romp samen, vrijwel kaal, geschubd en duidelijk geringd, en niet tweekleurig. De soort loopt en rent laag over de grond, klimt goed langs ruwe wanden en kabels, en springt alleen als het nodig is. Een bewoonde ruimte heeft een zoetig-scherpe muizengeur, een betrouwbare aanwijzing. In de hand geeft de bovensnijtand uitsluitsel: bij Mus heeft de achterkant van de snijtand een kleine inkeping die bij andere muizen ontbreekt.

Gelijkende soorten

De bosmuis is de meest voorkomende verwarring, vooral in schuren en huizen bij bos: hij heeft grotere ogen en oren, is warm roodbruin op de rug en scherp begrensd zuiver wit op de buik, heeft een tweekleurige staart en beweegt met lange sprongen in plaats van te rennen. De dwergmuis is veel kleiner en oranjebruin, met een grijpstaart. Een jonge bruine rat heeft in verhouding een veel zwaardere kop, kleinere oren en veel grotere voeten dan een volwassen huismuis van hetzelfde gewicht. Spitsmuizen, zoals de huisspitsmuis, zijn insecteneters met een lange, puntige snuit, zeer kleine ogen en een fluweelachtige vacht. In Zuid-Europa, en vooral op het Iberisch Schiereiland, is de Algerijnse muis (Mus spretus) de belangrijkste verwarringssoort: de andere soort van het geslacht en daar de muis van het open veld. Ze heeft een staart die duidelijk korter is dan kop en romp, een scherper afgetekende bleke buik en iets kleinere oren, en leeft in akkers, randen, struikgewas en taluds, waar de huismuis alleen in de zomer komt. Als vuistregel, die niet altijd opgaat: binnenshuis een huismuis, in het mediterrane veld een Algerijnse muis.

Leefgebied

Alle plaatsen waar mensen voedsel opslaan of morsen: woningen, boerderijen, schuren, stallen, silo's, molens, bakkerijen, magazijnen, winkels, koelhuizen, dierentuinen, schepen en vuilstortplaatsen. In het warme seizoen trekt de huismuis naar buiten, naar graanakkers, moestuinen, ruigtes, houtstapels en rietkragen, en in het najaar komt hij weer naar binnen; die jaarlijkse beweging is in Noordwest-Europa het normale patroon. In het Middellandse Zeegebied en op eilanden kan hij het hele jaar buiten leven, al wordt daar een groot deel van het open veld door de Algerijnse muis bewoond. In warmere landen komt hij in de bergen tot ongeveer tweeduizend meter voor, altijd in de nabijheid van mensen.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Oorspronkelijk een soort van de steppe- en halfwoestijnranden van het noorden van het Indisch subcontinent en het Midden-Oosten. De huismuis is een commensale soort: geen gefokt huisdier, maar een wilde soort die zich bij het ontstaan van de landbouw aan de menselijke graanopslag heeft aangesloten en zich van daaruit over de wereld heeft verspreid. Met graan en schepen bereikte hij het oostelijke Middellandse Zeegebied in de bronstijd en Noordwest-Europa in de ijzertijd en de Romeinse tijd, en later met de Europese scheepvaart Amerika, Australië en vrijwel alle eilanden ter wereld. In Europa komen twee vormen voor: de westelijke huismuis (M. m. domesticus) in West-Europa, op de Britse Eilanden, in IJsland en in het Middellandse Zeegebied, inclusief het Iberisch Schiereiland, en de oostelijke (M. m. musculus) in Oost-Europa en Scandinavië, met een smalle, veel onderzochte hybridezone dwars door Jutland en Duitsland. De soort komt voor in heel Groot-Brittannië en Ierland, in stad en op boerderijen; in Nederland en België overal, inclusief de Waddeneilanden en de Flevopolders, die hij in de jaren vijftig heeft gekoloniseerd; in Spanje op het hele vasteland, de Balearen en de Canarische Eilanden, gebonden aan dorpen, steden, boerderijen en opslagplaatsen. In goed geïsoleerde nieuwbouw met strikte hygiëne is hij minder algemeen dan vroeger; op boerenerven, in oude binnensteden en bij voedselbedrijven is hij nog steeds talrijk.

  • Ingeburgerd
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Nachtactief, met een piek in het eerste deel van de nacht, maar in een rustige, donkere ruimte ook overdag actief. Alleseter met een sterke voorkeur voor zaden en granen, verder brood, vet, kaas (in mindere mate dan vaak wordt aangenomen), noten, insecten en binnenshuis vrijwel alles wat eetbaar is. De huismuis drinkt weinig en kan op droog voedsel leven met het vocht dat daarin zit. Hij leeft in kleine familiegroepen met een dominant mannetje dat een territorium van enkele vierkante meters tot een hele kamer verdedigt en met urine markeert. Binnenshuis plant de soort zich het hele jaar door voort, met vijf tot tien worpen per jaar van vier tot acht jongen, na een draagtijd van negentien tot eenentwintig dagen; de jongen zijn na zes weken vruchtbaar. Dat vermogen tot snelle voortplanting is de kern van de overlast. Buiten stopt de voortplanting in de winter. Er is geen winterslaap. In het wild leeft een huismuis zelden langer dan een jaar, in gevangenschap twee tot drie jaar. Van deze soort stamt de laboratoriummuis af, waardoor de huismuis tot de best bestudeerde zoogdieren behoort.

Waar en wanneer kijken

Luister en ruik in plaats van te kijken. Zit 's avonds stil in een schuur of stal met één zwak licht en wacht: meestal begint binnen een halfuur het geritsel langs de wanden, en met een rode lamp is de muis te volgen. Overdag zijn sporen het bewijs: strooi een dun laagje bloem of talkpoeder op een plank langs een muur en zoek de volgende ochtend naar prenten en de sleepstreep van de staart. Zoek langs plinten naar veegsporen en keutels, en in oude gebouwen naar urinepilaartjes. Buiten is de huismuis in de nazomer in graanakkers of moestuinen te vinden, maar daar is de kans op een bosmuis, of in het Middellandse Zeegebied een Algerijnse muis, groter; controleer buik en staart. Om de soort buiten te houden is het dichten van kieren effectiever dan gif: een huismuis past door een opening van zes millimeter.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2021) en een van de talrijkste zoogdieren op aarde. Het belangrijkste vraagstuk bij deze soort is niet het voortbestaan, maar de schade: de huismuis vervuilt en vernielt voedselvoorraden, knaagt aan kabels en isolatie en is een bekende oorzaak van brand door doorgeknaagde bedrading, en brengt onder meer salmonella, leptospirose en het muizenpokkenvirus over. Bestrijding met anticoagulantia laat residuen achter in kerkuilen, torenvalken en steenmarters, wat in Europa in toenemende mate tot beperkingen leidt; wering, door kieren te dichten en voorraden af te sluiten, werkt beter en langer. Op eilanden richt de ingevoerde huismuis grote schade aan: op subantarctische en Atlantische eilanden, met name Gough Island, eet hij kuikens van stormvogels en albatrossen levend aan, en op enkele eilanden is hij met grootschalige campagnes bestreden. De huismuis van St. Kilda, een grote, afwijkende eilandvorm die geheel in en rond het dorp op Hirta leefde, stierf binnen enkele jaren na de ontruiming van het eiland in 1930 uit; de bosmuis van St. Kilda, die niet van de huizen afhankelijk was, komt er nog voor. Op het Iberisch Schiereiland is de verdeling van dorp en veld tussen huismuis en Algerijnse muis een veel onderzocht voorbeeld van twee nauw verwante soorten die hun leefgebied verdelen.

Wetenschappelijke naam

Mus musculus | Linnaeus, 1758

Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Mus is het Latijnse woord voor 'muis', verwant met het Griekse mys. musculus is Latijn voor 'muisje', het verkleinwoord van mus. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden, Uppsala.