Alle soorten › Insecteneters › Spitsmuizen › Millers waterspitsmuis

Millers waterspitsmuis | Neomys milleri

Mediterranean Water Shrew | Musgaño de Miller

De Millers waterspitsmuis is de kleinere, minder aan het water gebonden verwant van de waterspitsmuis. Tot 2015 werd hij samen met de Iberische dieren als Neomys anomalus behandeld; een multilocus-DNA-studie toonde toen aan dat de Iberische en de overige Europese populaties twee afzonderlijke soorten zijn, die ongeveer 400.000 jaar geleden uiteen zijn gegaan. De naam milleri, in 1907 door Mottaz gegeven aan dieren uit Chesières in de Waadtlandse Alpen, ging daarop naar de soort van het grootste deel van Europa. In oudere literatuur, veldgidsen en verspreidingsatlassen staat hij dus onder de naam N. anomalus.

Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.

Sporen

Er zijn geen sporen die alleen van deze soort zijn. De keutels zijn klein, zwart en gevuld met glanzende chitineresten, en liggen op stenen en boomwortels aan de oever en onder dekking in natte vegetatie; ze zijn op het oog niet van die van de waterspitsmuis te scheiden. Hetzelfde geldt voor vraatplaatsen met lege slakkenhuisjes en voor de kleine prenten in slib. De soort wordt daarom vooral vastgesteld door levende vangst met meting van achtervoet en staart, door DNA-onderzoek van keutels uit lokbuizen, en door het uitpluizen van braakballen: de onderkaak heeft roodbruine tandpunten zoals die van de waterspitsmuis, maar is kleiner en heeft een lagere kaaktak, zodat een geoefend oog beide soorten in het braakbalmateriaal kan scheiden.

Herkenning

Een middelgrote spitsmuis, duidelijk kleiner dan de waterspitsmuis, met een zwartgrijze tot zwartbruine rug en een lichte, grijswitte buik, die meestal scherp van elkaar gescheiden zijn. De tandpunten zijn roodbruin. De aanpassingen aan het leven in het water zijn zwakker dan bij de waterspitsmuis: de haarranden langs de achtervoeten zijn korter, en de kiel van stijve haren onder de staart is zwak ontwikkeld of ontbreekt. De oren zijn klein en verdwijnen in de vacht. Kop-romplengte 6,4 tot 7,5 cm, staart 4,3 tot 5,3 cm, achtervoet 14,5 tot 16,4 mm, gewicht 9 tot 15 gram. Deze maten komen van Oostenrijkse dieren, die tot deze soort behoren; de Iberische zustersoort heeft een langere staart en grotere achtervoeten.

Gelijkende soorten

De enige serieuze verwisseling is de waterspitsmuis (Neomys fodiens), die in vrijwel het hele areaal van de Millers waterspitsmuis ook voorkomt. In het veld zijn beide niet betrouwbaar te scheiden. In de hand gelden als grenswaarden een achtervoet korter dan 16,5 mm en een staart korter dan 55 mm voor de Millers waterspitsmuis; de waterspitsmuis heeft een achtervoet van 16 tot 21 mm en een staart die tot ruim 7 cm kan halen. De staartkiel is als kenmerk onbetrouwbaar, omdat hij bij oudere waterspitsmuizen door slijtage kan verdwijnen. Vachtkleur beslist niets: beide soorten kunnen een witte of een donkere buik hebben. In het noordoosten van het Iberisch Schiereiland grenst de soort aan de Cabrera-waterspitsmuis (Neomys anomalus), waarvan hij uitwendig niet te onderscheiden is; daar beslist alleen DNA. Kleinere spitsmuizen als de gewone bosspitsmuis hebben geen zwemharen en een driekleurige vacht; de Crocidura-soorten hebben witte tanden en uitstekende oren.

Leefgebied

Oevers van voedselrijke wateren met een doorlopende begroeiing van kruiden en struiken: beekjes, sloten, grachten, vijveroevers, moerassen, natte hooilanden en broekbossen. De soort is de minst aan water gebonden Neomys en wordt ook op enige afstand van open water gevangen, in vochtige ruigten, natte weiden en zelfs in geïrrigeerde tuinen. Binnen hetzelfde gebied kiest hij de rustiger, langzamer stromende of stilstaande delen, terwijl de waterspitsmuis de snellere beken en de open oevers bezet. Hij komt voor van het laagland tot in het gebergte, in Oostenrijk tot 1850 m en elders tot ongeveer 2100 m, maar het zwaartepunt ligt in het laagland en de heuvelzone.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Een groot deel van continentaal Europa, van het noordoosten van het Iberisch Schiereiland en Frankrijk oostwaarts door Midden- en Oost-Europa tot Rusland en Oekraïne, en zuidwaarts over de Balkan en Griekenland tot Turkije en Iran. De soort ontbreekt op de Britse Eilanden en in Scandinavië, en in de Noordwest-Europese laagvlakte is de verspreiding dun. In de Benelux is hij bekend uit het zuiden van België en uit Luxemburg; voor Nederland is de soort niet gemeld. In Zuid-Duitsland en Zwitserland is het areaal versnipperd, in Oostenrijk komt hij in alle deelstaten voor. Omdat de naam N. anomalus tot 2015 ook de Iberische dieren omvatte, moeten oudere kaarten per regio worden gelezen: alles buiten het Iberisch Schiereiland, en een deel van Catalonië, hoort bij deze soort.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Overwegend nachtactief, en in vergelijking met de waterspitsmuis schuwer en minder agressief. Het voedsel bestaat meer uit landdieren dan uit waterdieren: regenwormen, spinnen, kevers en hun larven, insectenlarven en slakken, aangevuld met waterinsecten en kreeftjes. De soort is sociaal verdraagzaam: dieren leven in kleine, open groepen zonder duidelijke rangorde en met weinig gevechten, anders dan bij de meeste spitsmuizen. De voortplanting loopt van mei tot september; een vrouwtje heeft twee tot drie worpen per jaar van meestal zeven tot twaalf jongen, na een draagtijd van ongeveer drie weken. Jongen uit het voorjaar worden binnen enkele weken zelfstandig. Er is geen winterslaap; in de winter blijven de dieren onder de sneeuw en in de strooisellaag actief.

Waar en wanneer kijken

Een Millers waterspitsmuis is in het veld niet op zicht te herkennen, en een waarneming zonder meting of monster blijft 'waterspitsmuis onbepaald'. Wie de soort wil aantonen, heeft drie wegen: braakballen van kerkuilen die boven natte graslanden en beekdalen jagen, met de kleine Neomys-kaken ertussen; lokbuizen met meelwormen langs een begroeide slootkant, waarna de keutels voor DNA-analyse worden verzameld; en levende vangst met meting van achtervoet en staart, die in de meeste landen een ontheffing vraagt. Bij het zoeken naar geschikte plekken zijn de ruige, rustige randen van moerassen en broekbossen kansrijker dan de heldere beken waar de waterspitsmuis jaagt.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2023); de soort is na de splitsing van N. anomalus voor het eerst afzonderlijk beoordeeld. Dat oordeel verhult dat hij in grote delen van het areaal als schaars geldt en dat de verspreiding versnipperd is. Bedreigingen zijn het ontwateren van natte graslanden en moerassen, het rechttrekken en beschoeien van beken, het verdwijnen van de ruige oeverbegroeiing en de vervuiling van het water. In Oekraïne en in een aantal Russische regio's is de soort beschermd, en in verscheidene Midden-Europese landen staat hij op een nationale Rode Lijst. De kennis blijft achter: omdat oudere gegevens onder N. anomalus staan en de soort in het veld niet van de waterspitsmuis te scheiden is, berust elke kaart op vangsten, braakballen en DNA.

Wetenschappelijke naam

Neomys milleri | Mottaz, 1907

Mottaz beschreef de soort in 1907 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Neomys is Grieks, van neos 'nieuw' en mys 'muis'. milleri eert de Amerikaanse zoogdierkundige Gerrit Smith Miller jr. (1869–1956), de schrijver van de Catalogue of the Mammals of Western Europe. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zwitserland, Alpes Vaudoises.