Alle soorten › Evenhoevigen › Varkens › Wild zwijn
Wild zwijn | Sus scrofa
Wild Boar | Jabalí
Het wild zwijn is in grote delen van Europa talrijk, maar wordt door zijn nachtelijke leefwijze weinig gezien. Zijn sporen zijn groot en eenduidig: een omgewoeld bospad, een zoelplek met verse modder en een stam met zwarte borstels geven aan dat er zwijnen zitten, ongeveer hoeveel en hoe recent ze er waren. Geen ander Europees zoogdier laat een vergelijkbare combinatie van sporen achter.
Sporen
Het wild zwijn laat van alle Europese zoogdieren de meest uiteenlopende sporen na, omdat het de bodem van zijn leefgebied omwerkt. Het wroetveld is het belangrijkste spoor: over een oppervlak van een vierkante meter tot een halve hectare is de zode in schollen omgekeerd, met de wortels omhoog en de aarde los, en op de bosbodem is de strooisellaag over een brede baan omgewoeld. Wroetvelden liggen op bospaden, in weilanden, op golfbanen, in gazons en bermen, en in de herfst het diepst onder eik, steeneik en beuk, waar naar eikels en beukennootjes wordt gezocht. Het tweede spoor is de zoelplek (het modderbad): een ondiepe, doorwoelde plas in een natte laagte, jarenlang gebruikt, met een kaalgetrapte rand en modderspatten in de vegetatie eromheen. Naast vrijwel elke zoelplek staat een schuurboom, meestal een spar, den, jeneverbes of alleenstaande stam, tot 60 à 100 cm hoogte besmeurd met opgedroogde modder, met de bast op schouderhoogte glad en glimmend gesleten en grove zwarte borstels vastgeplakt in de hars en de modder; daarboven zijn soms de schuine sneden van slagtanden te zien. De combinatie van wroetveld, zoelplek en schuurboom komt bij geen ander Europees dier voor. Het slot is tweetenig maar veel ronder en botter dan dat van een hert: 4 tot 8 cm lang en bijna even breed, met de twee hoefhelften uit elkaar gespreid en de punten afgerond. Daarachter drukken de twee bijklauwen bijna altijd af, ook bij stappen op vlakke bodem, en ze staan breder dan de hoef zelf: twee ronde stippen links en rechts buiten het slot. Bij het ree drukken de bijklauwen alleen af bij een sprong of in modder. Een rotte laat een breed, platgetrapt pad achter. De keutel is een onregelmatige, samengedrukte cilinder van 4 tot 7 cm dik, samengesteld uit aan elkaar klevende bolletjes, kruimelig en donker, met eikeldoppen, graan of maïs erin. Verder zijn er modderstrepen op prikkeldraad en op de onderkant van rasters waar de dieren onderdoor kruipen, borstels aan het draad, en het kraamnest: een hoop bijeengesleepte varens, gras en takken waarin een zeug haar biggen werpt, met duidelijke kuilen van de liggende dieren.



In zijn leefgebied

Het jong

Herkenning
Een gedrongen, wigvormig dier: hoog op de schouder, laag in het kruis, met een grote kop die zonder zichtbare hals in de romp overgaat. Kop-romplengte 90 tot 200 cm, schouderhoogte 55 tot 110 cm, staart 15 tot 40 cm met een kwastje aan het eind, gewicht 44 tot 320 kg; in Midden- en Oost-Europa halen de zwaarste beren twee- tot driehonderd kilo, terwijl mediterrane dieren nauwelijks de helft wegen. De vacht is een grove borstelvacht, grijsbruin tot bijna zwart, in de winter voller en grijzer, met een manenkam over de rug die bij opwinding overeind gaat; de zomervacht is dun en bruiner. De ogen zijn klein en staan hoog in de kop, de oren zijn groot, en de lange, beweeglijke snuit eindigt in een harde kraakbeenschijf waarmee het dier wroet. Volwassen beren dragen slagtanden: de onderste hoektanden groeien levenslang door, steken 5 tot 12 cm buiten de lip uit en slijten scherp tegen de bovenste hoektanden, de 'wetstanden'; bij zeugen blijven ze in de mond. Biggen (frislingen) zijn de eerste drie tot vier maanden lichtbruin met lichte overlangse strepen en daarna een seizoen roodbruin (overlopers). Het dier draaft met de kop laag en de rug recht.
Gelijkende soorten
Een volwassen wild zwijn is in Europa met geen ander wild dier te verwarren; vergissingen ontstaan in het donker en bij jongen. Het verwilderde huisvarken — in Europa zeldzaam, elders talrijk — is roze, gevlekt of bont, met een doorgezakte rug, een krulstaart en een rechtere snuit; het kruist met het wild zwijn, zodat mengvormen bestaan, en een bont zwijn is geen wild zwijn. In de dehesa's van het Iberisch Schiereiland is het zwarte Iberische varken, dat vrij tussen de steeneiken loopt, op afstand de gewoonste verwarring; beslissend zijn de ruglijn, de staart en het ontbreken van een manenkam. Een das op een nachtelijk bospad is veel lager en breder, met zwart-witte kopstrepen en een waggelende gang. In de Karpaten en op de Balkan kan een zwart zwijn bij slecht licht op een berenjong lijken, en omgekeerd; het silhouet beslist: het zwijn heeft een rechte rug, een spitse kop, geen zichtbare hals en geen schouderbult. Grote zwarte honden langs een bosrand in de schemering zijn de meest voorkomende misidentificatie.
Leefgebied
Het wild zwijn leeft in loof- en gemengd bos met een dichte struiklaag, vooral eiken-, steeneiken- en beukenbos met een goede mast, en in naaldbos met ondergroei. Daarnaast bewoont het riet- en zeggemoeras en rivierbegeleidend struweel, waar het droog en ongestoord ligt, mediterraan struweel en kurkeikenbos, en het aangrenzende akkerland: maïs is in Midden-Europa het belangrijkste voedsel geworden, en een maïsperceel is in augustus en september een volwaardig leefgebied. Sinds enkele decennia leeft de soort ook in steden: in tuinen, parken, sportvelden en bermen in de buitenwijken van onder meer Barcelona, Rome, Genua, Berlijn en Haifa woelen zwijnen 's nachts gazons om en leven ze van afval.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Het wild zwijn komt voor van Portugal tot Japan en van Zuid-Scandinavië tot Noord-Afrika, en is daarbuiten ingevoerd in Amerika en Australië; het is een van de wijdst verspreide grote zoogdieren ter wereld en neemt vrijwel overal in aantal toe. Op het Iberisch Schiereiland bewoont het het hele Spaanse vasteland, van zeeniveau tot in het hooggebergte, en het is daar sinds de jaren zeventig sterk toegenomen door de ontvolking van het platteland, de uitbreiding van struweel en de bevloeide maïsteelt; op Mallorca leven verwilderde varkens, die de Balearische overheid sinds 2012 samen met verwilderde honden en katten laat bestrijden, maar een vrijlevende populatie van het wild zwijn is daar niet gedocumenteerd; op de Canarische Eilanden ontbreekt de soort. In Nederland werd de soort in de negentiende eeuw uitgeroeid en keerde zij terug op de Veluwe en in de Meinweg; buiten die twee gebieden geldt wettelijk een nulstand, wat betekent dat elk zwijn dat elders opduikt wordt afgeschoten. In de praktijk komen zwijnen inmiddels ook in Limburg, Noord-Brabant en de Achterhoek voor. In België is de soort algemeen in de Ardennen en de Gaume, en in Vlaanderen is zij sinds 2006 vanuit Wallonië en Nederlands Limburg teruggekeerd en over Limburg en de Kempen verspreid. In Groot-Brittannië werd het wild zwijn uitgeroeid, in Engeland waarschijnlijk in de dertiende eeuw en in Schotland later, en pogingen in de zeventiende eeuw om het in de koninklijke jachtbossen opnieuw uit te zetten mislukten. Sinds het begin van de jaren negentig zijn dieren uit zwijnenfokkerijen ontsnapt of vrijgelaten, en er leven nu zelfstandige populaties in het Forest of Dean, in de Weald van Kent en East Sussex en in West-Dorset, met kleinere groepen elders in Engeland en Schotland; zij hebben de status van verwilderd dier en niet van beschermde soort, en hun beheer is omstreden. In Ierland hebben herhaalde ontsnappingen niet tot een gevestigde populatie geleid, en het beleid is gericht op verwijdering.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Het wild zwijn is nachtactief waar het bejaagd wordt en ook overdag actief waar dat niet het geval is; dit verschil is aangeleerd. Het is een alleseter met plantaardig voedsel als basis: wortels, knollen, bollen, gras, eikels, beukennootjes en kastanjes, graan en maïs, en daarnaast regenwormen, insectenlarven, engerlingen, muizen, eieren, jonge vogels, aas en in de stad afval. Wroeten beslaat een groot deel van de actieve tijd: een rotte keert per nacht honderden vierkante meters om. De sociale structuur is matriarchaal: de rotte bestaat uit verwante zeugen met hun biggen en jonge dieren, geleid door de oudste zeug, terwijl volwassen beren solitair leven en zich alleen in de bronsttijd bij een rotte voegen. De bronst valt van november tot januari; de dracht duurt volgens de vaste formule drie maanden, drie weken en drie dagen, ongeveer 115 dagen, en in maart of april werpt de zeug vier tot acht, soms twaalf biggen in een groot, opgebouwd nest. Bij een ruim voedselaanbod zijn jonge zeugen al in hun eerste levensjaar vruchtbaar en kan een populatie in één jaar verdubbelen; daardoor houdt de jacht nergens gelijke tred met de aantallen. Het zwijn houdt geen winterrust en is het hele jaar actief; bij sneeuw wroet het door de sneeuwlaag heen. In het wild wordt het zelden ouder dan vijf tot tien jaar.
Waar en wanneer kijken
Aanzitten is de meest geschikte methode. De beste plek is een bosrand tegen een maïsakker of weiland, in de schemering, met de wind in het gezicht: het zwijn ziet slecht, hoort matig en ruikt goed, en alleen de reuk is beslissend. Een eerste controle van de zoelplek geeft uitsluitsel: verse, natte modder op de schuurboom wijst op recent gebruik, opgedroogde modder van een week eerder niet. Geschikte gebieden zijn onder meer de wildbaanranden en wildkansels op de Veluwe bij zonsondergang, bosranden langs akkers in de Ardennen en de Eifel, de paden en open plekken in het Forest of Dean bij zonsopgang, de steeneikenbossen van de Sierra Morena en de Montes de Toledo in de schemering, de Cantabrische beukenbossen, het rivierstruweel langs de Ebro, Białowieża en de Donaudelta. In het Parc de Collserola boven Barcelona komen hele rotten 's avonds de straten in. Een wroetveld leidt doorgaans naar de zoelplek, met de schuurboom ernaast.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2019) en een van de weinige grote zoogdieren die in vrijwel heel Europa in aantal toenemen. De oorzaken zijn zachtere winters, de sterke uitbreiding van de maïsteelt, wintervoedering door jagers, toename van het bosareaal, het wegvallen van grote roofdieren en een voortplantingssnelheid die die van elk ander Europees hoefdier ver overtreft. Daardoor is het wild zwijn een van de meest omstreden zoogdiersoorten van Europa: schade aan gewassen, onder meer in wijngaarden, maïsvelden en olijfgaarden, aanrijdingen, omgewoelde sportvelden en tuinen, en zwijnen die in de stad mensen benaderen voor voedsel. In Spanje is het de meest bejaagde grofwildsoort; in het Parc de Collserola boven Barcelona leeft de best onderzochte stadspopulatie van Europa, met dieren die 's nachts in de wijken Sarrià en Sant Gervasi komen. Sinds 2014 wordt het beeld bepaald door de Afrikaanse varkenspest, die zich vanuit het oosten via de Baltische staten, Polen, Duitsland, Tsjechië, Italië en België heeft verspreid; de ziekte is voor mensen ongevaarlijk maar bijna altijd dodelijk voor varkens, en de bestrijding — grootschalig afschot, hekwerken van honderden kilometers en georganiseerde zoektochten naar kadavers — is het grootste wildbeheerprogramma van Europa. Voor landen met een grote varkensstapel, zoals Spanje met de grootste van de Europese Unie, is de ziekte ook economisch een ernstige bedreiging. In zwijnengebied horen geen etensresten te worden achtergelaten, omdat het virus in worst en ham overleeft en zo met mensen meereist.
Wetenschappelijke naam
Sus scrofa | Linnaeus, 1758
Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Sus is het Latijnse woord voor 'varken', verwant met het Griekse hys. scrofa is het Latijnse woord voor 'zeug', het vrouwelijke varken. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Duitsland.






