Alle soorten › Evenhoevigen › Hertachtigen › Witstaarthert

Witstaarthert | Odocoileus virginianus

White-tailed deer | Cariacú

Het witstaarthert (Odocoileus virginianus) is het talrijkste hert van Noord- en Midden-Amerika. In het gidsgebied is het een ingevoerde soort. De grootste Europese populatie leeft in Finland, waar in 1934 vijf dieren uit Minnesota werden uitgezet; hun nakomelingen telden in 2020 ongeveer 109.000 dieren. Een kleine populatie leeft sinds de negentiende eeuw in Tsjechië.

Witstaarthert (Odocoileus virginianus)
Foto: yrjö jyske from Finland — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Sporen

Het slot is tweetenig, hartvormig en spits en gelijkt op dat van het damhert. De keutels zijn donkere, langwerpige pellets in hoopjes. In de bronst veegt de bok jonge bomen en maakt hij schrapplekken: kaal gekrabde plekken onder een overhangende tak, waarop hij urineert en waaraan hij met klieren geur afgeeft. Het alarmsignaal is een luid blazen door de neus, vaak herhaald, samen met het stampen van een voorpoot.

Herkenning

Een middelgroot, slank hert met een lichaamslengte van 160 tot 220 cm, een schouderhoogte van 80 tot 100 cm en een gewicht van 57 tot 137 kg; bokken zijn zwaarder dan geiten. De vacht is in de zomer roodbruin, in de winter grijsbruin. Keel, ring om het oog en band achter de neus zijn wit. De staart is 10 tot 28 cm lang, breed, bovenop bruin en aan de onderkant helder wit; bij het vluchten wordt hij omhooggestoken en heen en weer bewogen, zodat een witte vlag zichtbaar wordt. Het gewei van de bok heeft een hoofdstang die naar voren buigt, met onvertakte enden die daar recht omhoog uit groeien. De kalveren zijn gevlekt; de vlekken verdwijnen in de loop van de eerste zomer.

Gelijkende soorten

Het ree is kleiner, heeft geen zichtbare staart en een witte spiegel. Het damhert is gevlekt, heeft een zwarte staart boven een witte spiegel met zwarte rand en bij de bok een schoepgewei. Een hinde van het edelhert is groter en zwaarder en heeft een lichte spiegel met een korte staart. Het sikahert heeft een korte witte staart in een witte spiegel met zwarte rand en in de zomer witte vlekken. Een vluchtend witstaarthert is aan de opgeheven witte staart te herkennen.

Leefgebied

Gemengd bos, loofbos en naaldbos afgewisseld met akkers, weilanden en bosranden. In Finland leeft de soort vooral in het landbouwgebied van het zuiden en zuidwesten, waar bos en akkers elkaar afwisselen, en in de winter rond voederplaatsen.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Het natuurlijke areaal strekt zich uit van Zuid-Canada tot in het noorden van Zuid-Amerika. In Finland werden in 1934 bij Virginia (Minnesota) acht dieren gevangen, van wie er vijf de overtocht overleefden; ze werden uitgezet bij het landgoed Laukko bij Tampere. Een tweede zending in 1948 heeft volgens sommige bronnen de volgende winter niet overleefd. Het witstaarthert heeft zich over vrijwel het hele zuiden van Finland verspreid en breidt zich uit naar Zweden en het zuiden van Russisch Karelië. In Tsjechië leeft sinds de negentiende eeuw een kleine populatie in de omgeving van Dobříš en in de Brdy.

  • Ingeburgerd
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Het witstaarthert is vooral in de schemering en 's nachts actief. Het eet bladeren, twijgen en knoppen van struiken en bomen, kruiden, grassen en landbouwgewassen. De bronst valt van oktober tot december. Na een draagtijd van ongeveer 198 dagen worden in het voorjaar kalveren geboren: bij jonge geiten meestal één, daarna meestal twee, soms drie of vier. De kalveren liggen de eerste weken verborgen in de vegetatie en worden alleen voor het zogen door de moeder opgezocht. Het gewei wordt tussen januari en maart afgeworpen, groeit in april en mei opnieuw en is in augustus of september geveegd.

Waar en wanneer kijken

In het zuidwesten van Finland zijn witstaartherten in de schemering op akkers en weilanden langs bosranden vaak in groepjes te zien. Rijd langzaam over landwegen en let op de witte staart van vluchtende dieren. In de winter zijn voederplaatsen van jagers plekken waar veel dieren samenkomen; betreed een particulier terrein alleen met toestemming.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2016). In Finland is het witstaarthert een belangrijke jachtsoort: in 2018 werden 36.191 afschotvergunningen verleend. In de tien jaar tot 2018 verdubbelde het aantal. De soort is de oorzaak van een groot aantal verkeersongevallen, in 2017 bijna 5200, en veroorzaakt vraatschade aan landbouwgewassen en tuinen.

Wetenschappelijke naam

Odocoileus virginianus | (E. A. W. von Zimmermann, 1780)

E. A. W. von Zimmermann beschreef de soort in 1780 als Dama Virginiana; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Odocoileus is een verhaspeling van Rafinesque: hij bedoelde Odontocoelus, van het Griekse odous 'tand' en koilos 'hol', naar een holle fossiele kies uit een grot. De verschrijving is blijven staan. virginianus betekent 'van Virginia', de Noord-Amerikaanse kolonie waar von Zimmermann het dier vandaan beschreef. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Verenigde Staten, Virginia.