Alle soorten › Roofdieren › Katachtigen › Wilde kat
Wilde kat | Felis silvestris
Wildcat | Gato Montés
Bij de wilde kat is niet de waarneming het probleem maar de bevestiging ervan. De soort lijkt op een grote, zwaargebouwde gestreepte huiskat, leeft waar ook verwilderde huiskatten leven, en kruist met ze. Bij determinatie in het veld is de staart belangrijker dan de kleur; een deel van de dieren is met veldkenmerken alleen niet op naam te brengen.
Sporen
De prent is rond, 3,5 tot 4,5 cm lang en breed, met vier tenen en een drielobbige achterrand van het zoolkussen, en zonder nagelindrukken, omdat de nagels intrekbaar zijn. Dat onderscheidt haar direct van vos en marters, die altijd nagels afdrukken. Van de huiskattenprent verschilt zij alleen in formaat, en dan met ongeveer een halve centimeter; dat verschil is te klein voor een determinatie. Het loopspoor is een bijna rechte lijn waarin de achtervoet in de prent van de voorvoet wordt gezet, met een pas van 25 tot 35 cm. Krabsporen zijn het best blijvende teken: verticale, evenwijdige groeven van 10 tot 25 cm lengte in de schors van een staande of liggende stam, op 30 tot 60 cm hoogte, telkens op dezelfde bomen langs een vaste route — dood hout, een schuine boom over een pad, of een zachte schors zoals van vlier of jonge eik. Vaak zitten er grijze haren in de schorsrand. De keutel is 4 tot 8 cm lang en 1,5 cm dik, geleed, aan beide einden stomp of licht gedraaid, en zit vol haar en botsplinters van muizen; hij ruikt veel minder scherp dan die van een vos. Aan de rand van het territorium wordt hij zichtbaar neergelegd — op een molshoop, een graspol of midden op een bospad — en in het centrum van het territorium begraven of onder blad weggekrabd. Verder zijn er legerplaatsen: droge dagrustplaatsen in een holle boom, onder een wortelkluit, in een oude vossen- of dassenburcht, in een rotsspleet of in de winter in een hooiberg of takkenril, herkenbaar aan platgelegen materiaal en losse haren. Prooiresten zijn schaars, omdat muizen in hun geheel worden gegeten; een gevangen vogel wordt geplukt met afgebeten schachten, zoals bij de vos.
In zijn leefgebied

Herkenning
Een kat van 50 tot 75 cm kop-romplengte met een staart van 21 tot 35 cm, en met 3,5 tot 8 kg merkbaar zwaarder gebouwd dan een huiskat: bredere kop, kortere en dikkere snuit, langere poten en een lange, ruige vacht die het dier forser doet lijken; in de winter lijkt het bijna dubbel zo groot als in de zomer. De grondkleur is grijsgeel tot okergrijs met een vage, onscherpe tekening: de streping op flank en poten is aanwezig maar zacht en zonder scherpe randen, en op de buik zit geen scherp getekende vlekkenrij. Over de rug loopt een zwarte aalstreep die bij de staartwortel ophoudt en niet doorloopt in de staart. De kop draagt vier donkere strepen die over de nek naar achteren lopen, de wangstrepen zijn duidelijk, de neusspiegel is roze en de kin lichtgeel. Het beslissende kenmerk is de staart: dik, cilindrisch en aan het eind stomp afgerond, zonder spits toe te lopen, met drie tot vijf zwarte, van elkaar gescheiden ringen en een volledig zwarte, stompe punt. Wit komt hooguit voor op kin en keel; witte sokjes, een witte borstvlek of witte tenen horen niet bij de soort.
Gelijkende soorten
Een deel van de waarnemingen is in het veld niet op naam te brengen. De verwilderde huiskat (Felis catus) is de enige werkelijke verwarringsmogelijkheid: een gestreepte huiskat heeft dezelfde kleur, hetzelfde formaat en hetzelfde leefgebied. Er zijn wel verschillen, maar het zijn er zeven kleine in plaats van één groot. De huiskattenstaart loopt spits toe en heeft ringen die in elkaar overlopen, onderbroken zijn of overgaan in een lengtestreep; de wilde kat heeft een dikke staart met gescheiden ringen en een stompe zwarte punt. De huiskat is scherper getekend, vaak met duidelijke vlekken op de buik en met wit aan poten, borst of snuit; de wilde kat is vaag getekend en heeft geen wit op de poten. De rugstreep loopt bij de huiskat door tot in de staart. De wilde kat is zwaarder, langpotiger en heeft een grovere, langere vacht. Wilde kat en huiskat kruisen echter, en de nakomelingen vertonen die kenmerken in alle combinaties. In Duitsland, Italië en Luxemburg is het aandeel hybriden laag, in Hongarije hoog; op het Iberisch Schiereiland is de vermenging over het algemeen lager dan in Midden-Europa, maar zij komt voor en neemt toe in de buurt van dorpen. In Schotland was de vermenging in 2019 zo ver gevorderd dat de vrijlevende populatie functioneel uitgestorven werd verklaard. Een deel van de dieren is met veldkenmerken alleen niet met zekerheid te benoemen; dan geven alleen een goede foto van de staart, een puntentelling over meerdere kenmerken tegelijk of genetisch onderzoek uitsluitsel. Waar de determinatie onzeker blijft, hoort dat bij de melding te worden vermeld. De lynx is twee tot drie keer zo groot, met penseeloren, een bakkebaardkraag en een korte, stompe staart, en is daardoor geen serieuze verwarringsmogelijkheid.
Leefgebied
De wilde kat bewoont grote, aaneengesloten loof- en gemengde bossen met veel structuur: open plekken, kapvlakten, ruige zomen, windworp en dood hout, bij voorkeur met een muizenrijke rand naar het boerenland. Naaldbos wordt ook bewoond, mits er een struiklaag en open plekken zijn. In Zuid-Europa verschuift het leefgebied naar mediterraan struweel, maquis en de randen van steeneiken- en kurkeikenbos, waar konijnen het hoofdvoedsel zijn. Houtwallen, heggen en beekdalen zijn de verbindingen waarlangs de soort zich verplaatst; grote open akkergebieden en dorpen worden gemeden, wat samenhangt met de huiskatten die bij de bebouwing leven. Diepe, langdurige sneeuw begrenst het areaal naar het noorden: bij meer dan twintig centimeter sneeuw die langer dan honderd dagen blijft liggen, ontbreekt de soort.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
De wilde kat is over Midden-, West- en Zuid-Europa verspreid in een reeks van gescheiden populaties: de Iberische gebergten, Frankrijk, de Ardennen, de Eifel, Midden-Duitsland, de Alpen, Italië, de Karpaten en de Balkan, met daarnaast de Kaukasus en Anatolië. Op het Iberisch Schiereiland komt de soort op vrijwel het hele Spaanse vasteland voor, maar steeds in lage dichtheden en versnipperd: de Cantabrische kust en de Pyreneeën, het Iberisch Randgebergte, het Centraal Gebergte, de Montes de Toledo en de Sierra Morena, en de bergen van Cádiz en Málaga. Zij is het talrijkst in gesloten bergbos met konijnen en ontbreekt in de grote droge graanvlakten en de intensief bebouwde rivierdalen; op de Balearen en de Canarische Eilanden ontbreekt zij, en de katten die daar in het veld leven zijn verwilderde huiskatten. De Iberische populatie is weinig onderzocht; de meeste gegevens komen van cameravallen en verkeersslachtoffers. In Duitsland is de soort sinds de jaren negentig sterk toegenomen doordat bosgebieden via ecoducten en beplante corridors weer met elkaar zijn verbonden; vandaar heeft zij zich westwaarts uitgebreid naar België, Luxemburg en Nederland. In Nederland was de wilde kat eeuwenlang afwezig; vanaf de jaren negentig kwamen losse waarnemingen uit Zuid-Limburg, en sinds ongeveer 2015 is zij in het Vijlenerbos en de Zuid-Limburgse bossen vast aanwezig, met bewezen voortplanting. Het aantal dieren en het bewoonde gebied zijn klein. In België is de soort algemeen in de Ardennen en de Gaume; in Vlaanderen gaat het om zwervende dieren, vooral in Voeren en het Zoniënwoud. In Groot-Brittannië overleefde de wilde kat alleen in de Schotse Hooglanden; na twee eeuwen vervolging en een eeuw kruising met verwilderde huiskatten werd die populatie in 2019 als niet meer levensvatbaar en functioneel uitgestorven in het wild beoordeeld. In Ierland is de soort in historische tijd nooit voorgekomen.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
De wilde kat is actief in de nacht en de schemering; op een koude, zonnige ochtend na een vorstnacht ligt zij soms onbeschut op een takkenhoop of aan de rand van een kapvlakte in de zon, en op dat tijdstip worden de meeste waarnemingen gedaan. De soort leeft solitair, met territoria van twee tot tien vierkante kilometer bij het mannetje en kleinere bij het vrouwtje; het gebied van een mannetje overlapt dat van meerdere vrouwtjes. Het voedsel is weinig gevarieerd: woelmuizen en ware muizen maken in Midden-Europa driekwart tot negentig procent van de prooi uit, aangevuld met vogels, jonge hazen, hagedissen en insecten; op het Iberisch Schiereiland is het konijn het hoofdvoedsel, met daarnaast vogels, slaapmuizen, hagedissen en insecten. De prooi wordt besprongen na besluipen of wachten, net als bij een huiskat, vooral langs bosranden en in ruigte. De paartijd valt van januari tot maart, met nachtelijk gekrijs; na 63 tot 68 dagen worden in april of mei twee tot vier jongen geboren in een holle boom, een rotsspleet of een verlaten burcht. Ze gaan na ongeveer zes weken mee op jacht, zijn na vier tot vijf maanden zelfstandig en zoeken in de herfst een eigen gebied. De soort houdt geen winterrust; in strenge winters verliest zij snel conditie en zoekt zij de beschutting van hooibergen en schuren op, wat de kans op contact met huiskatten vergroot. In het wild wordt de wilde kat zeven tot tien jaar oud.
Waar en wanneer kijken
Een waarneming vraagt geduld en meestal cameravallen. De grootste kans te voet biedt een zonnige, vrieskoude ochtend in februari of maart langs een brede bosweg of een kapvlakte, onder meer in de Eifel, de Ardennen, Zuid-Limburg, de Cairngorms, de Sierra Morena, de Montes de Toledo en het Cantabrisch Gebergte: de dieren liggen dan in de zon en kunnen een half uur zichtbaar blijven. Daarnaast is de schemering geschikt langs een bosrand die op grasland uitkomt, waar de wilde kat op muizen jaagt. In Spanje zijn Cabañeros, de Sierra de Andújar en de bergen van Galicië en León de bekendste gebieden. Spoorzoeken levert meer op: in de winter zijn langs een bospad krabsporen op steeds dezelfde stammen en keutels op molshopen te vinden. Een melding is alleen te beoordelen met een foto van de staart; zonder beeld van de staartpunt en de ringen is zij niet te controleren.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2023) op wereldschaal; die beoordeling zegt weinig over Europa, waar het probleem niet het aantal is maar de genetische zuiverheid en de versnippering. Kruising met verwilderde en zwervende huiskatten verdunt de populatie genetisch, en die huiskatten brengen ook ziekten over. Daarnaast spelen verkeer op boswegen en snelwegen door bosgebieden, het verdwijnen van houtwallen en zomen tussen bosgebieden, en verstoring een rol. De soort staat in bijlage IV van de Habitatrichtlijn en is overal strikt beschermd. Op het Iberisch Schiereiland is naast hybridisatie de achteruitgang van het konijn door virusziekten het belangrijkste probleem; daardoor is in een groot deel van het mediterrane bergland de belangrijkste prooi verdwenen. In Duitsland en Frankrijk heeft het herstel van bosverbindingen aantoonbaar gewerkt en breidt de soort zich uit; de kolonisatie van Zuid-Limburg is daarvan een direct gevolg. In Schotland, waar de vrijlevende populatie in 2019 functioneel uitgestorven werd verklaard, worden sinds 2023 in de Cairngorms in gevangenschap gekweekte wilde katten uitgezet; het is de eerste herintroductie van een katachtige in Groot-Brittannië. De uitgezette dieren worden gevolgd en met zenders uitgerust, en het programma gaat samen met het steriliseren van verwilderde huiskatten. Het project moet uitwijzen of een populatie van wilde katten na vergaande hybridisatie opnieuw kan worden opgebouwd.
Wetenschappelijke naam
Felis silvestris | von Schreber, 1777
Von Schreber beschreef de soort in 1777 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Felis is het Latijnse woord voor 'kat'; bij de Romeinen sloeg het ook op marterachtigen. silvestris is Latijn voor 'van het bos' en daarmee 'wild', bij silva 'bos'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Duitsland.






