Alle soorten › Roofdieren › Katachtigen › Afrikaanse wilde kat

Afrikaanse wilde kat | Felis lybica

African Wildcat | Felis lybica

De Afrikaanse wilde kat is de wilde voorouder van de huiskat. Zij leeft in een groot deel van Afrika, op het Arabisch Schiereiland en in Zuidwest- en Centraal-Azië tot India en China. De Mammal Diversity Database behandelt haar als een aparte soort, afgesplitst van de Europese wilde kat (Felis silvestris); de typelocatie ligt bij Gafsa in Tunesië. Binnen het gidsgebied leeft zij in Noord-Afrika en de Levant, en de wilde katten van Corsica, Sardinië en Kreta worden tot deze soort gerekend. De grootste bedreiging is kruising met huiskatten.

Afrikaanse wilde kat (Felis lybica)
Foto: Leonemanuel — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Sporen

De soort markeert met urine en met keutels op opvallende plekken bij paden, op bomen, begroeiing en rotsblokken, soms met afscheiding van de anaalklieren erbij. Bomen en jonge stammen worden met de voorpoten bekrast. In de Verenigde Arabische Emiraten gebruikte een gezenderd vrouwtje in veertien maanden 42 verschillende holen, alle gegraven door vossen. De paring gaat gepaard met veel gekrijs en gejank.

Herkenning

Een slanke, hoogbenige kat, groter dan een huiskat maar kleiner dan de Europese wilde kat. De vacht is kort en zeer variabel, grijs tot roodachtig, met of zonder kleine vlekken; de haren hebben een lichte band en een zwarte punt, waardoor de vacht fijn gespikkeld oogt. Vlekken smelten vaak samen tot dwarsstrepen, vooral op de poten. De staart is lang en dun, loopt taps toe en heeft twee of drie zwartachtige ringen en een zwarte punt. De oren zijn afgerond, staan ver uit elkaar, hebben korte donkere kwastjes en een felle roodbruine achterkant. Kin wit, onderzijde licht oranjebeige tot witachtig, een donkere lijn over de rug, zwarte voetzolen. Dieren uit droge streken zijn lichter en zandkleuriger dan die uit vochtige streken. Door de lange voorpoten zit het dier rechtop bijna verticaal.

Gelijkende soorten

De huiskat is de belangrijkste en fundamentele verwarring, omdat beide kruisen en de nakomelingen tussenvormen zijn. De Europese wilde kat is groter en zwaarder en heeft een brede, ruige staart in plaats van een dunne, taps toelopende staart. De moeraskat is groter, ongevlekt, met lange oren met zwarte kwastjes en een kortere staart. De caracal is groter, ongevlekt, heeft een korte staart en grote oren met zwarte achterkant en lange kwasten.

Leefgebied

Een breed scala aan leefgebieden van zeeniveau tot ongeveer 3000 m; de soort ontbreekt in tropisch regenwoud en in gebieden met minder dan 100 mm neerslag per jaar. Dekking voor de jacht en om te rusten is belangrijk. In Israël gaat de voorkeur uit naar open mediterraan bos in heuvelachtig terrein. De soort komt ook voor aan de rand van dorpen en steden, waar zij in contact komt met huiskatten. Ook woestijnranden, savanne en landbouwgebied worden gebruikt.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Het grootste deel van Afrika buiten het regenwoud en de centrale Sahara, het Arabisch Schiereiland, en Zuidwest- en Centraal-Azië tot India, Mongolië en China. Binnen het gidsgebied: Marokko, Algerije, Tunesië, Libië en Egypte, de Levant (Israël, Libanon, Syrië, Jordanië), en Corsica, Sardinië en Kreta. Oud en modern DNA wijst uit dat de wilde katten van Sardinië nauwer verwant zijn aan Noord-Afrikaanse wilde katten dan aan huiskatten: de mens heeft daar wilde katten naartoe gebracht, en de Sardijnse dieren stammen niet af van verwilderde vroege huiskatten.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Volgens de meeste bronnen strikt nachtactief; waar de dieren niet verstoord worden, zijn ze soms ook vroeg in de ochtend en laat in de middag te zien. Het voedsel bestaat in de meeste gebieden in Afrika vooral uit muizen en ratten, aangevuld met grotere prooien zoals springhazen en konijnen; de soort pakt ook pluimvee. De dieren leven solitair en zijn territoriaal. In de noordelijke Sahara valt de voortplanting in de winter. Na een draagtijd van 56 tot 65 dagen worden meestal twee of drie (maximaal vijf) jongen geboren op een verborgen plek: in een holle boom, een hol, een rotsspleet of dicht gras. De jongen komen na een maand naar buiten, leren op drie tot vier maanden jagen en zijn na vijf tot zes maanden zelfstandig; vrouwtjes zijn na tien maanden geslachtsrijp.

Waar en wanneer kijken

In het gidsgebied zijn waarnemingen schaars; de meeste komen uit Israël. Een wilde kat met zekerheid van een huiskat of een kruising onderscheiden kan alleen met goede foto's van staart, poten en achterkant van de oren, en uiteindelijk met DNA.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2022) op wereldschaal, met een onbekende trend. Regionaal is de soort op het Arabisch Schiereiland en in Marokko als gevoelig (NT) beoordeeld. Kruising met huiskatten geldt als een van de grootste bedreigingen en komt in het hele areaal voor. Daarnaast worden dieren gedood omdat ze pluimvee pakken, en sommige worden door honden gedood. De soort staat op bijlage II van CITES.

Wetenschappelijke naam

Felis lybica | G. Forster, 1780 (GBIF: Felis silvestris)

G. Forster beschreef de soort in 1780 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Felis is het Latijnse woord voor 'kat'; bij de Romeinen sloeg het ook op marterachtigen. lybica betekent 'Libisch'; Libye was voor de Ouden niet het huidige Libië maar heel Noord-Afrika ten westen van Egypte, en Forster beschreef het dier uit Tunesië. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Tunesië.