Alle soorten › Insecteneters › Egels › Witbuikegel

Witbuikegel | Atelerix albiventris

Four-toed Hedgehog | Erizo de cuatro dedos

De witbuikegel is een kleine egel van de Afrikaanse savanne, van Senegal tot Somalië en de Zambezi, en in de handel in gezelschapsdieren een van de meest gehouden egels. In Europa leeft hij van nature niet. Wat er in het wild van bekend is, zijn losse ontsnapte of losgelaten dieren, vooral in het noordoosten en oosten van Iberië, waar de onderzochte dieren genetisch kruisingen met de trekegel bleken. Een gevestigde, zichzelf in stand houdende bevolking is in Europa niet bekend; de soort wordt als exoot behandeld omdat hij er in het wild wordt aangetroffen en omdat die vondsten gevolgen hebben voor de egels die er al leven.

Witbuikegel (Atelerix albiventris)
Foto: Jason Graham — CC0 · Wikimedia Commons

Sporen

Van de dieren die in Europa zijn gevonden, zijn geen sporen bekend die ze zouden verraden; ze worden gezien of gevangen. In het oorspronkelijke gebied toont de prent van de achtervoet vier tenen in plaats van vijf, doordat de grote teen ontbreekt of heel klein is. De keutels hebben een sterke geur, die mogelijk dient om andere egels op de aanwezigheid van het dier te wijzen. Een egel die zich na contact met een sterk ruikende stof insmeert met schuimend speeksel op de stekels, vertoont een gedrag dat van deze soort goed bekend is en ook bij andere egels voorkomt. De dagrustplaats wisselt dagelijks: onder stenen, boomstammen of dicht gras, in bladstrooisel, een termietenheuvel, een rotsspleet of een gat in de grond; alleen een nest met jongen of een plaats waar hij in rust gaat wordt langer gebruikt.

Herkenning

De witbuikegel is klein: kop-romplengte 14 tot 25,8 cm, staart 0,9 tot 2,5 cm, oor 15 tot 28 mm, achtervoet 26 tot 34 mm, gewicht 250 tot 680 gram, in gevangenschap tot 900 gram. Het kenmerk dat de Engelse en Spaanse naam verklaart zit aan de achterpoot: de grote teen ontbreekt of is een klein stompje, zodat de achtervoet vier tenen telt. De stekels op de rug zijn 15 tot 17 mm lang, en midden op de kruin loopt een smalle scheiding in het stekelkleed. De rug is gespikkeld grijsbruin, zwart en wit; gezicht, poten en buik zijn wit behaard, de snuit bruinachtig tot zwart, en sommige dieren hebben een zwart masker. De oren zijn klein, donker en rond, en korter dan de stekels eromheen. De poten zijn kort en behaard, de staart kort en dun behaard. Dieren uit de handel kunnen in kleur sterk afwijken, omdat er kleurvormen van worden gefokt.

Gelijkende soorten

In Europa gaat het om het onderscheid met de egels die er in het wild leven. De trekegel (Atelerix algirus) is de lastigste, omdat hij tot hetzelfde geslacht behoort, ook een scheiding op de kruin heeft en in het oosten van Iberië in dezelfde streken leeft waar witbuikegels zijn gevonden. De trekegel is groter, met een kop-romplengte van twintig tot zevenentwintig centimeter, heeft grote oren die duidelijk boven de stekels uitsteken, en vijf tenen aan de achtervoet. De witbuikegel heeft kleine, ronde oren die in de stekels verdwijnen en vier tenen achter. Kruisingen tussen beide zijn in het oosten van Iberië genetisch aangetoond, en zulke dieren zijn op het oog niet betrouwbaar te herkennen; daar beslist DNA-onderzoek. De West-Europese egel (Erinaceus europaeus) is forser en zwaarder, heeft een grijsbruin gezicht en een grof grijsbruin behaarde buik, geen kale scheiding op de kruin en vijf tenen achter. De Oost-Europese egel (Erinaceus roumanicus) is eveneens groter, met een scherp begrensde witte borstvlek. Een kleine egel met een wit gezicht, een witte buik en kleine oren, in een tuin of stadspark, is in Europa dus eerder een ontsnapt gezelschapsdier dan een in het wild geboren egel.

Leefgebied

In Afrika bewoont hij grasland, struikgewas, open bos, landbouwgrond en heuvels, en vaak ook de randen van steden, met tuinen en gebouwen. Hij heeft droge bodems nodig en ontbreekt in woestijnen, moerassen en dicht bos. De voorkeur gaat uit naar open, droge of seizoensgebonden terreinen met een pleksgewijze grasmat, vooral zwaar begraasde gebieden waar veel hoefdieren lopen en vertrapte vegetatie en mest termieten en andere insecten voeden. De vondsten in Europa komen uit bewoonde omgevingen en hun omgeving: een grote stad, een kustmoerasgebied en een landelijke streek aan de Middellandse Zee.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Het natuurlijke verspreidingsgebied is Afrika ten zuiden van de Sahara: van Senegal oostwaarts tot Eritrea, Djibouti en Somalië, en zuidwaarts door Oost-Afrika tot de Zambezi. Er worden geen ondersoorten onderscheiden. Europa ligt geheel buiten dit areaal. In Europa zijn dieren gevonden die via de handel in gezelschapsdieren zijn aangevoerd en ontsnapt of losgelaten. Het eerste gedocumenteerde geval is uit juli 2012, uit Bétera bij Valencia. Genetisch onderzoek bevestigde daarna vier dieren, alle vier kruisingen met de trekegel: twee in de Alt Empordà in Catalonië, één in de stad Barcelona en één bij de Albufera van Valencia. Het gaat om losse dieren; een gevestigde bevolking in het wild is niet bekend.

  • Ingeburgerd
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

In Afrika is de witbuikegel vooral 's nachts en in de schemering actief, om de hitte en uitdroging overdag te vermijden; in gevangenschap liggen de pieken tussen negen uur 's avonds en middernacht en rond drie uur 's nachts. Hij is een alleseter, maar leeft vooral van termieten, kevers, regenwormen, miljoenpoten, mieren, sprinkhanen, naaktslakken en slakken, en daarnaast van kleine gewervelden, zoals slangen, hagedissen en kikkers, en van eieren en jongen van vogels die op de grond broeden; ook paddenstoelen, gevallen vruchten, wortels, aardnoten en aas worden gegeten. In het koele, droge seizoen gaat hij in torpor: in zuidelijk Afrika tussen juni en september, tot zes weken achtereen, met onderbrekingen in warme perioden; in delen van het areaal gebeurt dat waarschijnlijk niet. De voortplanting is in Centraal- en Noord-Afrika het hele jaar mogelijk, verder naar het zuiden seizoensgebonden. Na een draagtijd van 35 tot 37 dagen worden meestal drie tot vijf jongen geboren, soms één tot tien, van ongeveer tien gram. Het leefgebied ligt meestal binnen 200 tot 300 meter van een hol of rustplaats. De soort is solitair; bij ontmoetingen grommen, blazen en snuiven de dieren en stoten ze met de kop, en er zijn vijf soorten geluid beschreven, waaronder een vogelachtig 'serenade'-geluid van mannetjes bij de balts.

Waar en wanneer kijken

De soort wordt in Europa niet gericht gezocht maar hooguit toevallig aangetroffen. Bij een kleine egel met een wit gezicht, een witte buik en kleine oren in Catalonië, de streek van Valencia of elders in Europa zijn foto's nodig van het gezicht van voren, de oren en vooral een achtervoet, waarop de tenen te tellen zijn. Zo'n vondst hoort te worden gemeld bij de instantie die in de regio invasieve exoten registreert, of bij een burgerwetenschapsproject voor egels; alleen zo is vast te stellen waar zulke dieren opduiken en of ze zich voortplanten. Een gevonden dier mag niet elders worden losgelaten, en gehouden witbuikegels mogen nooit in de natuur worden vrijgelaten: langs die weg zijn de kruisingen met de trekegel ontstaan.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (LC, 2016). In zijn Afrikaanse areaal is hij algemeen in geschikt leefgebied en staat de soort als geheel niet onder zware druk. Plaatselijk wordt hij gegeten, worden huid en stekels als vruchtbaarheidsamulet gebruikt, en valt hij in het verkeer. In Europa ligt de zaak andersom: daar is hij geen soort om te beschermen maar een exoot die problemen kan veroorzaken. Waar hij in het wild is aangetroffen, is hij wettelijk als invasieve uitheemse soort aangemerkt, en zijn houden, vervoeren en verhandelen verboden. Het vastgestelde probleem is kruising met de trekegel, die de determinatie van egels bij inventarisaties bemoeilijkt; daarnaast wordt concurrentie met de andere egels om dezelfde niche genoemd. Een plan om hem te bestrijden is er niet; het werk bestaat uit het verzamelen van waarnemingen, onder meer via burgerwetenschap.

Wetenschappelijke naam

Atelerix albiventris | (J. A. Wagner, 1841)

J. A. Wagner beschreef de soort in 1841 als Erinaceus albiventris; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Atelerix wordt gelezen als het Griekse atelēs 'onvolledig' met een tweede deel dat op het oude woord voor 'egel' teruggaat; Pomel licht de naam niet toe, zodat de verklaring onzeker blijft. albiventris is Latijn voor 'witbuikig', van albus 'wit' en venter 'buik'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Senegal.