Alle soorten › Insecteneters › Spitsmuizen › Crocidura cypria

Crocidura cypria | Crocidura cypria

Cyprus White-toothed Shrew | Crocidura cypria

Een witsnuitspitsmuis die alleen op Cyprus voorkomt. Uit DNA-onderzoek blijkt dat de voorouders het eiland ongeveer anderhalf miljoen jaar geleden bereikten en er sindsdien geïsoleerd zijn gebleven. De soort behoort daarmee tot de kleine groep eilandzoogdieren uit het Pleistoceen die tot op heden hebben overleefd. Op grond van deze afzonderlijke ontwikkelingsgeschiedenis wordt hij als aparte soort erkend.

Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.

Sporen

Spitsmuizen laten weinig sporen na die bij veldwerk worden gevonden, en van deze soort zijn geen eigen sporen beschreven; wat volgt geldt voor de groep. De keutel is enkele millimeters lang, donker en gedraaid, glanst door chitineresten en ligt meestal verborgen onder een steen of plank. De prent is alleen zichtbaar in zeer fijn, vochtig slib en meet nauwelijks een centimeter, met vijf tenen aan voor- en achtervoet; op vrijwel elke andere ondergrond is hij niet herkenbaar. Wel te vinden zijn gangetjes van een halve tot een hele centimeter breed door de strooisellaag en onder dood hout, en kleine ronde openingen aan de voet van muurtjes. De meest gebruikte methode om de soort aan te tonen is indirect: het uitpluizen van braakballen van kerkuil en steenuil, waarin spitsmuizen aan de schedel en de witte tanden te herkennen zijn; dit levert doorgaans meer verspreidingsgegevens op dan gericht zoeken. Crocidura-soorten laten bij het foerageren en bij conflicten hoge, schelle, snel herhaalde piepjes horen, aan de bovengrens van het gehoorbereik van volwassenen.

Herkenning

Een kleine witsnuitspitsmuis van het geslacht Crocidura, met de kenmerken van dat geslacht: zuiver witte, ongepigmenteerde tanden, zonder de roodbruine punten van de Sorex-soorten, een spitse, beweeglijke snuit, kleine ogen, oren die duidelijk uit de vacht steken, en een staart met lange, afstaande tastharen tussen de korte haren; dat laatste is bij alle Crocidura-soorten het snelste kenmerk in de hand. De vacht is grijsbruin op de rug en lichter grijs op de buik, zonder scherpe scheiding. Voor deze soort zijn geen betrouwbaar gepubliceerde veldmaten bekend. De handboeken behandelen het dier onder de brede soortopvatting van de tuinspitsmuis, en de maten die daar staan, horen bij die soort in brede zin en niet bij de Cypriotische dieren.

Gelijkende soorten

Op Cyprus is determinatie in de praktijk een kwestie van uitsluiting, omdat er vrijwel geen verwarringssoorten zijn. De enige andere spitsmuis waarvan waarnemingen van het eiland bekend zijn, is de wimperspitsmuis (Suncus etruscus), die goed te onderscheiden is: het is het lichtste zoogdier ter wereld, weegt enkele grammen, en heeft een naar verhouding langere staart en een veel kleinere kop. Van Cyprus zijn er slechts enkele meldingen, zodat de soort daar waarschijnlijk zeer schaars of zeer slecht onderzocht is. Roodgetande spitsmuizen (Sorex) ontbreken op het eiland; een spitsmuis met roodbruine tandpunten is daar een melding waard. Het belangrijkste determinatieprobleem is taxonomisch: elders rond de Middellandse Zee is deze soort zonder DNA-onderzoek niet van de tuinspitsmuis te onderscheiden, en de populaties van Kreta, Corsica en Menorca, die er in de hand gelijk uitzien, zijn geen ijstijdrelicten maar in het Holoceen vanuit het Midden-Oosten ingevoerde dieren. De soort is dus gedefinieerd op herkomst en DNA, niet op uiterlijk: buiten Cyprus is hij niet te verwachten, en op Cyprus behoort elke witsnuitspitsmuis tot deze soort.

Leefgebied

Over de habitatkeuze van de Cypriotische dieren is weinig gepubliceerd; de soort is aangetroffen in het gangbare Cypriotische landschap en lijkt weinig selectief. Te verwachten zijn maquis en phrygana, de ondergroei van Aleppo- en zwarte-dennenbossen, droge graslanden met steenhopen en muurtjes, akkerranden, boomgaarden en tuinen, met een voorkeur voor plekken met een dikke strooisellaag of een dichte kruidlaag die in de zomer niet volledig uitdrogen. Bij irrigatie is de kans groter. De soort is gevonden van de kust tot in het Troodosgebergte.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Alleen Cyprus, over het hele eiland. De typelocatie ligt volgens de oorspronkelijke beschrijving van Dorothea Bate uit 1904 'niet ver van Papho' (Paphos), in het zuidwesten. De soort komt op geen ander eiland en op geen vasteland voor. Mitochondriaal DNA plaatst de kolonisatie van het eiland op ongeveer 1,54 miljoen jaar geleden, in het vroege Pleistoceen, terwijl de witsnuitspitsmuizen van Kreta, Corsica en Menorca pas zes- tot achtduizend jaar geleden vanuit het Midden-Oosten zijn aangevoerd, met de eerste landbouwers. De Cypriotische populatie was dus al lang vóór de komst van de mens op het eiland aanwezig. GBIF voert de soort nog als synoniem van de tuinspitsmuis, zodat Cypriotische waarnemingen daar onder Crocidura suaveolens staan.

Levenswijze

Over de levenswijze van deze soort is vrijwel niets onderzocht; wat volgt geldt voor de witsnuitspitsmuizen van deze groep. Ze zijn het hele etmaal in korte perioden actief, met de nadruk op de nacht en de schemering; een spitsmuis kan niet lang zonder voedsel, omdat hij dagelijks ongeveer zijn eigen gewicht verbruikt. Het voedsel bestaat uit kleine ongewervelden: insecten en hun larven, spinnen, pissebedden, duizendpoten, wormen en kleine slakken. Er is geen winterslaap, omdat de dieren daarvoor te klein zijn; ze blijven in de winter actief en verblijven in de koude maanden vaak in en rond gebouwen en steenhopen. Witsnuitspitsmuizen vertonen karavaangedrag: bij verstoring van het nest bijt elk jong zich vast in de vacht van het jong ervoor en het eerste in die van de moeder, zodat de hele worp in één rij achter haar aan verhuist. Of dit op Cyprus is waargenomen, is niet bekend; in het geslacht is het gebruikelijk. Een Crocidura leeft zelden langer dan een tot anderhalf jaar.

Waar en wanneer kijken

Waarnemingen van levende dieren zijn zeldzaam en meestal toevallig: een dier dat 's avonds over een terras loopt, door een kat wordt binnengebracht of in een emmer of put is gevallen. De soort is het best aan te tonen via braakballen van kerkuilen bij oude gebouwen, kerken en pompstations; op Cyprus is dat de enige methode die betrouwbaar resultaat geeft, en ze kost niets. Fotografeer een dood dier (in een put of langs de weg) van opzij met de staart erbij, en lever het bij voorkeur in bij een museum of universiteit; omdat er geen gepubliceerde maten zijn, zijn gemeten Cypriotische exemplaren van wetenschappelijk belang. Van deze soort is geen foto met vrije licentie bekend.

Staat van instandhouding

Niet beoordeeld (NE), als gevolg van de taxonomische indeling. De IUCN volgt de brede soortopvatting waarin de Cypriotische dieren onder de tuinspitsmuis vallen, die als niet bedreigd is beoordeeld; een eigen beoordeling van Crocidura cypria bestaat daardoor niet, terwijl de Mammal Diversity Database hem wel als aparte soort erkent. Een endemische soort van één eiland, sinds anderhalf miljoen jaar geïsoleerd en met een areaal dat vrijwel zeker onder de drempelwaarden van de Rode Lijst valt, staat daarmee op geen enkele lijst. Over aantallen, trend en bedreigingen is niets bekend; mogelijke bedreigingen op een mediterraan eiland zijn het verdwijnen van strooiselrijke ondergroei, branden en verwilderde katten. De eerste prioriteit is daarom het verzamelen van basisgegevens: maten, een verspreidingskaart en een schatting van de dichtheid, als grondslag voor een beoordeling.

Wetenschappelijke naam

Crocidura cypria | Bate, 1904 (GBIF: Crocidura suaveolens)

Bate beschreef de soort in 1904 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Crocidura is Grieks, van krokys, genitief krokydos, 'wolvlok, pluis', en oura 'staart', naar de lange losse haren die tussen het korte staarthaar uitsteken. cypria betekent 'van Cyprus', het eiland waar het dier alleen voorkomt. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Cyprus.