Alle soorten › Insecteneters › Spitsmuizen › Crocidura fimbriata
Crocidura fimbriata | Crocidura fimbriata
South European White-toothed Shrew | Crocidura fimbriata
Crocidura fimbriata is de kleine witsnuitspitsmuis van Midden-Europa en de Balkan. In Duitsland, Oostenrijk, Tsjechië, Hongarije en Griekenland werd deze soort een eeuw lang Crocidura suaveolens genoemd, en daarvoor mimula. Sinds de Mammal Diversity Database de suaveolens-groep heeft opgesplitst, draagt hij de oudste beschikbare naam: fimbriata, die Wagler in 1832 gaf aan een spitsmuis uit Beieren. De Engelse naam 'South European White-toothed Shrew' sluit slecht aan bij deze typelocatie. Maten, verspreidingsgrenzen en levenswijze van de soort zijn nog grotendeels onbekend.
Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.
Sporen
Er zijn geen sporen specifiek aan deze soort toe te schrijven; wat volgt geldt voor het geslacht en is in Midden-Europa onder de oude naam vastgelegd. De keutel meet twee tot vier millimeter, is donkergrijs tot zwart, spits aan beide uiteinden en glanst door fijne insectenresten; hij ligt op een vaste plek in een gangetje, onder een steen, plank of tegel. De looppaadjes zijn een halve tot anderhalve centimeter breed en lopen door de strooisellaag, onder de zode en langs de voet van muurtjes en akkerranden; ze zijn smaller dan woelmuisgangen, die ook worden gebruikt. Een prent meet nauwelijks een centimeter, met vijf tenen aan voor- en achtervoet, en is op vrijwel elke ondergrond niet herkenbaar. Geluid: hoge, schelle, snel herhaalde piepjes bij het foerageren en bij conflicten. Braakballen van kerkuil, steenuil en ransuil zijn de belangrijkste bron om aanwezigheid vast te stellen, met dezelfde beperking als in het veld: aan de resten is binnen de suaveolens-groep alleen het geslacht te bepalen, niet de soort.
Herkenning
Een kleine, fijn gebouwde witsnuitspitsmuis met de kenmerken van het geslacht: zuiver witte tanden zonder roodbruine punten, een lange, spitse, voortdurend bewegende snuit, zeer kleine ogen, oren die boven de vacht uitsteken en een staart met lange, afstaande tastharen tussen het korte haar. De vacht is bruingrijs tot grijs op de rug en lichter grijs op de buik, met een geleidelijke overgang: er is geen scheidingslijn. Voor deze soort in strikte zin zijn geen eigen veldmaten gepubliceerd. De handboeken behandelen het dier nog onder de tuinspitsmuis of onder Crocidura gueldenstaedtii, en de maatreeksen die daar staan, horen bij die soorten in brede zin.
Gelijkende soorten
In het veld is de soort niet op naam te brengen. Wel uit te sluiten is de veldspitsmuis (Crocidura leucodon), die in het hele areaal voorkomt en een scherpe grens heeft tussen donkere rug en witte buik; is die grens aanwezig, dan is het de veldspitsmuis, ontbreekt hij, dan is het die soort niet. Ook de roodgetande spitsmuizen (Sorex) zijn te herkennen: roodbruine tandpunten, drie kleurzones met een eigen flankband en kleine oren die in de vacht liggen. De wimperspitsmuis (Suncus etruscus) is met enkele grammen duidelijk kleiner. Niet mogelijk is het onderscheid met de nauwe verwanten. Van de huisspitsmuis (Crocidura russula), waarmee hij van Zuidwest-Duitsland tot Noord-Italië samen voorkomt, verschilt hij alleen in gemiddeld formaat, wat bij een individueel dier niet bruikbaar is. Van de tuinspitsmuis (C. suaveolens) en van C. gueldenstaedtii aan de oostelijke en zuidoostelijke rand van het areaal is hij uiterlijk niet te onderscheiden; daar berusten de namen op vindplaats en DNA. Een witgetande spitsmuis zonder flankgrens in bijvoorbeeld Tsjechië of Kroatië kan daarom het best worden genoteerd als 'Crocidura, kleine soort', met een nauwkeurige plaatsbepaling. In deze groep is de vindplaats het belangrijkste determinatiegegeven.
Leefgebied
Over de habitatkeuze van deze soort in strikte zin is niets afzonderlijk gepubliceerd; wat volgt is ontleend aan gegevens uit Midden-Europa en de Balkan onder de oude naam. De soort is te verwachten in warme, droge en open gebieden: droge tot matig vochtige graslanden met een blijvende, kruidenrijke zode, zonnige zuidhellingen en steenhopen, akkerranden, bermen, dijken en spoortaluds, houtwallen en heggen, wijngaarden, boomgaarden, volkstuinen en tuinen. Een dichte kruid- of strooisellaag is noodzakelijk; geklepelde bermen en jaarlijks volledig gemaaid grasland zijn ongeschikt. In de winter verplaatst een deel van de dieren zich naar erven, schuren, hooibergen en composthopen, waar ze dan het vaakst worden gezien. In de bergen blijft de soort onder de boomgrens.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Midden- en Zuidoost-Europa. De Mammal Diversity Database noemt Duitsland, Zwitserland, Liechtenstein, Oostenrijk, Tsjechië, Slowakije, Polen, Hongarije, Moldavië en Oekraïne, en verder Italië, Slovenië, Kroatië, Bosnië-Herzegovina, Servië, Montenegro, Kosovo, Noord-Macedonië, Albanië, Bulgarije, Roemenië en Griekenland. Het handboek beschrijft dezelfde lijn ruimer, van Noordwest-Frankrijk en Noord-Italië oostwaarts tot West-Oekraïne en de Balkan. De grens met Crocidura iculisma in het westen en met C. gueldenstaedtii en C. suaveolens in het oosten en zuidoosten is niet nauwkeurig vast te stellen; de arealen berusten op afzonderlijke monsters en niet op systematische kartering. De soort ontbreekt in de Lage Landen, waar alleen de huisspitsmuis en de veldspitsmuis voorkomen, en op het Iberisch Schiereiland, waar de westelijke lijn van dit complex Crocidura iculisma is. De typelocatie ligt in Beieren. In oudere literatuur staat de soort onder Crocidura suaveolens, C. suaveolens mimula of C. gueldenstaedtii mimula, en verder onder namen als moschata, minor, antipae, italica, debeauxi en balcanica.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Over de levenswijze van deze soort in strikte zin is niets onderzocht; wat volgt geldt voor de kleine witsnuitspitsmuizen van de groep. Ze zijn het hele etmaal in korte perioden actief, met de nadruk op de nacht en de schemering, en kunnen niet lang zonder voedsel; een spitsmuis verbruikt dagelijks ongeveer zijn eigen gewicht. Het voedsel bestaat uit kleine ongewervelden: kevers en hun larven, rupsen, spinnen, pissebedden, duizendpoten, wormen en kleine slakken. De voortplanting loopt van het vroege voorjaar tot in de nazomer, met enkele worpen van vier tot zes jongen in een nest van fijn gras onder een steen of plank of in een graspol. Er is geen winterslaap, omdat de dieren daarvoor te klein zijn. Het krimpen van schedel en hersenen dat bij de roodgetande spitsmuizen (Sorex) bekendstaat als het fenomeen van Dehnel, is bij witsnuitspitsmuizen niet vastgesteld; bij dit geslacht wordt energie bespaard door in koude nachten kort in torpor te gaan en doordat meerdere dieren één nest delen. Karavaangedrag (elk jong bijt zich vast in de vacht van het jong ervoor, het eerste in die van de moeder) is bij verwante soorten gebruikelijk en komt bij deze soort waarschijnlijk ook voor. Een Crocidura leeft zelden langer dan achttien maanden.
Waar en wanneer kijken
Een waarneming levert in deze groep meestal geen soortnaam op, maar wel een vindplaats, en die is waardevol. Leg een plank of golfplaat op een ruige, zonnige plek langs een akkerrand, dijk of tuinrand en til die om de paar weken op. Luister op zomeravonden langs muurtjes en composthopen naar het schelle gepiep. In de winter zijn schuren en hooibergen de beste plekken. Voor onderzoek is het nuttig om braakballen uit te pluizen en het materiaal te bewaren: omdat de grenzen tussen deze soort en de verwante soorten nergens vastliggen, zijn gedateerde, exact gelokaliseerde reeksen schedelresten uit bijvoorbeeld Zuid-Duitsland, Kroatië of Griekenland nodig om die grenzen in kaart te brengen. Voor zover bekend bestaat er geen foto met vrije licentie van een als deze soort gedetermineerd dier; een opname van opzij, met de staart zichtbaar en een nauwkeurige plaatsbepaling, is daarom waardevol.
Staat van instandhouding
Niet beoordeeld (NE). De IUCN volgt de brede soortopvatting waarin deze dieren onder Crocidura suaveolens vallen, die als niet bedreigd is beoordeeld; een eigen beoordeling van Crocidura fimbriata bestaat niet, terwijl de Mammal Diversity Database hem wel als soort erkent. Het gaat vrijwel zeker om een wijdverbreide soort in tweeëntwintig landen, maar voor een van de algemeenste kleine zoogdieren van Midden-Europa bestaan daardoor geen officiële populatieschatting, trend of analyse van bedreigingen, en alle beschikbare gegevens zijn gepubliceerd onder de naam van een andere soort. In de praktijk wordt de soort beïnvloed door dezelfde factoren als het kleinschalige cultuurlandschap: het verdwijnen van kruidenrijke bermen, akkerranden en dijken, klepelen en jaarlijks volledig maaien, het opruimen van steenhopen en takkenrillen, en de achteruitgang van insecten. Specifieke bescherming is waarschijnlijk niet nodig; eerst zijn basisgegevens nodig, zoals maten, een verspreidingskaart en een afbakening ten opzichte van de verwante soorten, als grondslag voor een beoordeling.
Wetenschappelijke naam
Crocidura fimbriata | (Wagler, 1832) (GBIF: Crocidura russula)
Wagler beschreef de soort in 1832 als Sorex fimbriatus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Crocidura is Grieks, van krokys, genitief krokydos, 'wolvlok, pluis', en oura 'staart', naar de lange losse haren die tussen het korte staarthaar uitsteken. fimbriata is Latijn voor 'omzoomd, gefranjed', bij fimbriae 'franje', naar de lange afstaande haren die tussen de korte beharing van de staart uitsteken. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Duitsland, Beieren.






