Alle soorten › Evenhoevigen › Dolfijnen › Witsnuitdolfijn

Witsnuitdolfijn | Lagenorhynchus albirostris

White-beaked dolphin | Delfín de pico blanco

De witsnuitdolfijn is een forse dolfijn van koud water die alleen in het noorden van de Atlantische Oceaan voorkomt, van de Golf van Maine en Groenland tot de Barentszzee en de Noordzee. Volwassen dieren worden ruim drie meter lang. In de middelste en noordelijke Noordzee is het de talrijkste dolfijnensoort; in Schotland is hij het hele jaar aanwezig, met de meeste waarnemingen tussen juni en oktober.

Witsnuitdolfijn (Lagenorhynchus albirostris)
Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Sporen

Op zee is de soort te herkennen aan de combinatie van een hoge, gebogen rugvin en de lichte rug achter de vin, die bij elke ademhaling kort zichtbaar is. De adem is niet zichtbaar. Witsnuitdolfijnen komen met een krachtige, vaak spattende beweging boven, en zwemmen graag mee op de boeggolf, vooral van grote, snelle schepen. Ze springen, maken salto's en slaan met de staart op het water. De meeste groepen tellen minder dan tien dieren; in het noordwesten van Schotland worden scholen tot vijftig dieren regelmatig gezien. Bij foeragerende groepen hangen vaak jan-van-genten en meeuwen boven het water. Op het strand vind je alleen aangespoelde dieren, die in Nederland, België en het Verenigd Koninkrijk door strandingsnetwerken worden onderzocht.

Herkenning

Een zwaar gebouwde dolfijn met een korte, dikke snavel van vijf tot acht centimeter, die meestal lichtgrijs tot wit is; bij een deel van de dieren is de snavel donker, zodat de naam niet altijd klopt. De rug is zwart tot donkergrijs, de buik wit. Op de flank ligt een lichtgrijze tot witte vlek voor de rugvin en een tweede, grotere lichte zone achter de vin, die altijd over de rug doorloopt en zo een licht zadel achter de vin vormt. De tekening verschilt per dier. De rugvin staat midden op de rug en is hoog en sikkelvormig naar achteren gebogen. Volwassen dieren zijn tot 3,1 meter lang; mannetjes zijn gemiddeld twintig centimeter langer dan vrouwtjes.

Gelijkende soorten

De witflankdolfijn (Leucopleurus acutus), die in het noorden en westen van het gidsgebied voorkomt, is slanker en heeft een donkere snavel, een scherp begrensde witte vlek onder en achter de rugvin en daarachter een okergele band op de staartwortel; het lichte zadel over de rug ontbreekt. De tuimelaar heeft ook een korte snavel en een hoge vin, maar is egaal grijs zonder lichte vlekken op flank en rug. De gewone dolfijn is kleiner en slanker, met een lange, donkere snavel en een zandlopertekening met een gele voorste helft. Op afstand, wanneer alleen rug en vin boven komen, is het lichte zadel achter de vin het kenmerk dat de witsnuitdolfijn van de andere soorten scheidt; zonder dat zadel is een groep op grote afstand vaak niet op soort te brengen.

Leefgebied

Het koele water van het continentaal plat en de rand daarvan, meestal op minder dan tweehonderd meter diepte. De soort foerageert dicht bij de bodem op kabeljauwachtigen zoals kabeljauw, wijting, schelvis en heek, en verder op sprot, makreel, haring, horsmakreel, grondels en inktvissen; in de Britse wateren vormen kabeljauw, wijting en heek het grootste deel van het voedsel. Ze mijdt warm water en komt in het zuidelijke deel van het gidsgebied niet voor.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Alleen in het noorden van de Atlantische Oceaan. In het oosten van IJsland en de Faeröer langs de Noorse westkust tot in de Barentszzee, en rond de Britse Eilanden: bij Shetland en Orkney, in het noordwesten van Schotland en de Hebriden, langs de Schotse en Noordoost-Engelse Noordzeekust en aan de westkust van Ierland. In de middelste en noordelijke Noordzee is het de talrijkste dolfijnensoort. In de zuidelijke Noordzee, het Kanaal en de Ierse Zee is ze schaars, en ten zuiden van de Golf van Biskaje ontbreekt ze. In het noorden van Groot-Brittannië is de soort het hele jaar aanwezig; de meeste waarnemingen vallen tussen juni en oktober, met een piek in augustus.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Dag en nacht actief. De dieren leven in groepen die van samenstelling wisselen; de meeste tellen minder dan tien dieren. Vrouwtjes worden geslachtsrijp op zes tot tien jaar, mannetjes op acht tot twaalf. De draagtijd is ongeveer elf maanden, en de jongen worden vooral tussen juni en september geboren; een pasgeboren jong is 1,1 tot 1,2 meter lang en weegt ongeveer veertig kilo.

Waar en wanneer kijken

Zoek bij kalme zee, windkracht drie of minder, want de soort komt laag boven en de lichte flank verdwijnt tussen de schuimkoppen. Goede plekken zijn de kusten van Northumberland en Yorkshire, de oostkust van Schotland, Orkney, Shetland en de Hebriden, tussen juni en oktober; in IJsland varen er vanuit Húsavík en uit havens aan de Eyjafjörður boten waarbij witsnuitdolfijnen geregeld op de boeggolf meezwemmen. Vanaf de veerboten over de noordelijke Noordzee en naar Shetland kun je ze vanaf het dek waarnemen. Let op zwermen jan-van-genten boven zee: daar jaagt vaak ook een groep dolfijnen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2018). De soort is in de Europese, Britse en Ierse wateren wettelijk beschermd, staat op bijlage IV van de Habitatrichtlijn en valt onder ASCOBANS. Bedreigingen zijn bijvangst in sleep- en ringnetten, verstoring door onderwatergeluid en verontreiniging. Op de Faeröer worden bij de drijfjacht op grienden ook witsnuitdolfijnen gevangen. Omdat de soort aan koud water gebonden is, wordt verwacht dat opwarming van de Noordzee haar leefgebied naar het noorden verschuift.

Wetenschappelijke naam

Lagenorhynchus albirostris | J. E. Gray, 1846

J. E. Gray beschreef de soort in 1846 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Lagenorhynchus is gevormd uit het Griekse lagynos 'fles, kruik' en rhynchos 'snuit': de flessensnuit, naar de korte, dikke snavel. albirostris is gevormd uit het Latijnse albus 'wit' en rostrum 'snuit, snavel': met witte snavel. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Engeland, Great Yarmouth (Norfolk).