Werner VorstmanInstrumenten om de Schrift nauwkeurig te lezen
Instrument IV

De Levensduren

Genesis geeft van achtentwintig mannen op hoe oud zij werden, en die getallen liggen niet willekeurig. Vóór de Zondvloed blijven ze constant rond de negenhonderd jaar. Daarna dalen ze — niet grillig, maar langs één vloeiende curve die net boven de honderd jaar afvlakt. Wáár die curve uitkomt, is de vraag die dit instrument je wil voorleggen.

Wat de twee weergaven tonen

De leeftijden zet iedere sterfleeftijd uit tegen de plaats in de geslachtslijn. De streepjeslijn links is het gemiddelde van de negen leeftijden vóór de Zondvloed; de curve rechts is door de achttien daarna gelegd.

Rechtgetrokken trekt de bodem eraf en neemt de logaritme van wat overblijft. Is het verval werkelijk exponentieel, dan maakt die bewerking van de curve een rechte lijn — en dat doet zij. Die rechte lijn is de hele bewering, in één plaatje. Al het andere hier is toelichting; dít is het bewijs.

Henoch staat er in het rood bij en telt niet mee in de berekening. Genesis 5 sluit elke andere naam af met en hij stierf; bij hem staat er dat hij met God wandelde, en hij was niet meer, want God nam hem weg. Zijn 365 jaar meten hoe lang hij hier was, niet hoe lang een leven duurde — hem meetellen zou iets anders tellen.

De getallen

Vóór de Zondvloed: negen leeftijden, gemiddeld 912, spreiding ±57 — geen spoor van een trend. Metuselach met 969 en Lamech met 777 zijn de uitersten, en wat daartussen ligt vertoont geen enkele richting.

Na de Zondvloed: achttien leeftijden op één exponentieel verval, R² = 0,927 met de bodem op 120 vastgehouden. Het overschot boven die bodem halveert elke 2,8 geslachten: Sem zit er 480 boven, Peleg 119, Abraham 55, Mozes helemaal niet meer.

Laat je de berekening haar eigen bodem kiezen in plaats van 120 op te leggen, dan komt die uit op 107,1 jaar, met een 95%-betrouwbaarheidsinterval van 61 tot 153. Dat interval bevat 120. Dit is de sterkste vorm die het argument eerlijk kan aannemen: de getallen bewijzen de grens van Genesis 6:3 niet, maar aan zichzelf overgelaten wijzen ze op een bodem, en 120 ligt ruim binnen het gebied waar die bodem kan liggen.

Wat hiermee niet beslist is

Drie dingen, en geen ervan is klein.

Genesis 6:3 hoeft helemaal niet over een levensduur te gaan. Zijn dagen zullen honderdtwintig jaar zijn wordt op twee manieren gelezen. Veel uitleggers, waarschijnlijk de meeste moderne, lezen het als een aftelling: God geeft de mensheid honderdtwintig jaar uitstel vóór de Zondvloed. Anderen lezen het als een nieuwe grens aan het menselijk leven. Alleen de tweede lezing maakt de bodem van deze curve theologisch interessant. De grafiek kan daar niet tussen beslissen; zij kan alleen laten zien dat de rekenkunde naar een bodem rond 120 neigt.

En Psalm 90:10 zegt zeventig, of tachtig bij grote kracht — geschreven, volgens het opschrift, door Mozes, die zelf 120 werd. Wat de grens ook is, het gewone leven had zich toen al ver daaronder gevestigd.

Een curve met drie parameters op achttien punten sluit aan bij bijna elke reeks die geleidelijk daalt. R² van 0,93 zegt dat de vórm klopt; niet dat die vorm exponentieel is en niet een van de andere die er ongeveer even goed doorheen zouden gaan. Wat de exponentiële lezing meer maakt dan krommenpassen, is dat die bodem niet vrij zweeft — de tekst noemt een getal, en de getallen komen daar dichtbij uit.

Wat de wetenschap ervan zegt

De gangbare oudtestamentische wetenschap leest deze getallen niet als biologische metingen, maar als schematisch: getallen die theologisch en literair werk doen in plaats van een demografie vast te leggen.

De sterkste reden is vergelijkend. De Sumerische koningslijst, ouder dan Genesis, geeft haar koningen van vóór de vloed regeringen van tienduizenden jaren, en daarna, ná haar eigen vloed, storten de getallen in tot iets menselijks. De vorm die dit instrument tekent — enorm, dan scherp dalend na een vloed, dan afvlakkend — is een vorm die het oude Nabije Oosten al kende. Dat maakt Genesis niet afgeleid, en het maakt zijn getallen niet onwaar; maar het betekent wel dat de vorm op zichzelf geen bewijs van biologie is.

De tweede reden is tekstueel. Juist deze getallen verschillen tussen de drie getuigen. De Masoretische tekst, de Samaritaanse Pentateuch en de Septuaginta zijn het oneens over de leeftijden in Genesis 5 en 11 — meestal over de leeftijd bij het verwekken, maar ook over enkele sterfleeftijden. Lamech sterft op 777 in het Hebreeuws, 753 in het Grieks en 653 in het Samaritaans. De curve hierboven is berekend op de Masoretische getallen. Wie de Septuaginta volgt, krijgt een iets andere curve.

Beide punten zijn het waard om vast te houden náást het patroon. Het patroon is echt: die achttien getallen liggen wel degelijk op één curve, en dat is een feit over de tekst, wat je ook over de herkomst ervan besluit. Waarván het het bewijs is, blijft de open vraag.

De gebruikte getallen

Sterfleeftijden uit Genesis 5 (Adam tot Noach), Genesis 11 en 25, 35, 47 en 50 (Sem tot Jozef), Exodus 6 (Levi, Kehat, Amram), Deuteronomium 34 (Mozes) en Jozua 24 (Jozua). Bij elk punt op de grafiek staat de tekstplaats — klik erop.

De vier namen na Jakob staan niet in de lijstvorm van Genesis 11, maar ze zetten dezelfde lijn voort en de tekst geeft hun leeftijden, dus zijn ze opgenomen: zij zijn het die de curve naar haar bodem brengen, en Mozes komt precies op 120 uit.

De Tijdlijn, voor waar deze levens in de geschiedenis vallen →  ·  Gebruikte teksten en datasets →