Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera aberrans

Drosera aberrans

Drosera aberrans is volgens de Victorian Carnivorous Plant Society de algemeenste vleesetende plant van Victoria. Deze knolvormende zonnedauw vormt in de winter tapijten van platte, rode tot groene rozetten op de bosbodem en in heide, en draagt geurende witte bloemen. Tot 2008 gold hij als ondersoort van D. whittakeri; sindsdien is hij als zelfstandige soort erkend, en daarmee blijken veel oudere Victoriaanse opgaven van 'D. whittakeri' op deze soort betrekking te hebben.

Drosera aberrans
Foto: Luigi vetrano — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Drosera aberrans — de bloem
De bloem · Foto: Jan Wieneke — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Drosera aberrans — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: MFdeS in kweek — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Drosera aberrans — de standplaats
De standplaats · Foto: Luigi vetrano — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een vlakke basale rozet van ongeveer 2 tot 5 cm breed, die in het koele seizoen uit een ellipsoïde tot bolvormige knol groeit; de knol is rood, oranje of bleek van kleur. De bladeren zijn spatelvormig en zittend, (10–)13 tot 25 mm lang, rood in de zon en groen in de schaduw. Het belangrijkste kenmerk is ondergronds: de plant vormt uitlopers waaraan nieuwe knollen ontstaan, zodat hij dichte klonale kolonies vormt. De bloeiwijze draagt één tot ongeveer zes witte of roze, geurende bloemen, met kroonbladen die aan de top recht afgeknot of ondiep ingesneden zijn.

Gelijkende soorten

Drosera whittakeri is zijn naaste verwant: die komt alleen in Zuid-Australië voor, heeft geen uitlopers en draagt meer bloemen per plant. D. schmutzii van Kangaroo Island heeft zeer smalle, klierloze bladstelen en half opstaande bladeren. D. spatulata heeft kleinere, lepelvormige bladeren met een duidelijke steel, geen knol en blijft het hele jaar groen. Jonge rozetten van soorten uit het D. peltata-complex hebben kleine halvemaanvormige blaadjes.

De val en hoe hij werkt

Een actieve lijmval. De tentakels op de bladeren vangen kleine insecten en andere geleedpotigen die over de bosbodem kruipen of laag vliegen. De tentakels buigen naar de prooi en de bladschijf kan enigszins om de vangst heen krullen. Omdat de plant alleen in het koele, natte seizoen boven de grond staat, valt de vangst in de Australische herfst, winter en lente.

Standplaats en ecologie

Kleirijke grond of zandgrond over klei in kruidenvelden, heide (B5) en open eucalyptusbos (B6, B2). De plant groeit zowel in de schaduw als in volle zon. In de zomer, als de grond uitdroogt, overleeft hij als knol; in de herfst loopt hij weer uit.

Verspreiding en hoogte

Zuidoost-Australië: een groot deel van Victoria, en daarnaast Zuid-Australië en New South Wales. De gebiedsomschrijving 'Zuidoost-Australië (New South Wales, Zuid-Australië, Victoria)' past daarbij. Hoogtegrenzen zijn in de geraadpleegde bronnen niet gepubliceerd; het hoogteveld blijft leeg.

  • Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 142 vakken van een kwart graad waarin de soort werkelijk is waargenomen, uit GBIF en alleen uit waarnemingen die tot op vijf kilometer nauwkeurig zijn. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets. Bij bedreigde soorten gaat deze laag nooit fijner dan een hele graad, met opzet.

Vormen en variatie

De soort werd oorspronkelijk door Lowrie en Carlquist als ondersoort van D. whittakeri beschreven en in 2008 door Lowrie en Conran tot soort verheven. Kleurverschillen in rozet en knol hangen samen met standplaats en licht. Doordat de plant zich vooral vegetatief via uitlopers vermeerdert, bestaan kolonies vaak uit één of enkele klonen.

Waar en wanneer te zien

Zoek van de late herfst tot de vroege lente in open bos en heide op kleiige grond; de bloei valt van juni tot oktober. De kolonies van platte rozetten zijn op de bosbodem makkelijk te vinden, vooral na regen, als de druppels glinsteren. Kniel bij een bloeiende plant om de geur te ruiken. Graaf geen knollen uit; ze zitten diep en de plant heeft ze nodig om de zomer te overleven.

Staat van instandhouding

Op de IUCN-Rode Lijst staat de soort als Niet bedreigd (LC); hij staat niet in CITES. In Victoria is hij algemeen en wijdverbreid. Lokaal gaat hij achteruit door het verdwijnen van natuurlijke vegetatie en door invasieve grassen. VicFlora vermeldt dat de soort ervan wordt verdacht giftig te zijn voor vee.

Wetenschappelijke naam

Drosera aberrans | (Lowrie & Carlquist) Lowrie & Conran, 2008

Oorspronkelijk beschreven als Drosera whittakeri subsp. aberrans door Lowrie & Carlquist, in Phytologia, deel 73, nr. 2, p. 113 (7 oktober 1992). Verheven tot volwaardige soort door Lowrie & Conran, in Telopea, deel 12, nr. 2, p. 151 (11 november 2008). De precieze typelocatie kon niet met zekerheid worden achterhaald. De soort komt voor in het zuidelijke binnenland van Zuid-Australië en het zuiden/midden van Victoria, met één vondst in New South Wales, in mallee-vegetatie, heide en open bos op zand, laterietgrond of kalksteenklei. Van het Latijnse aberrans ("afwijkend") — vermoedelijk omdat deze soort afwijkt van de nauw verwante D. whittakeri, waarvan ze aanvankelijk als ondersoort werd beschouwd; de exacte overweging van de beschrijvers is niet met zekerheid bevestigd.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.