Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera auriculata

Drosera auriculata

Drosera auriculata is de hoogste en een van de meest verbreide soorten uit het D. peltata-complex: een rechtopstaande knolzonnedauw die in de Australische en Nieuw-Zeelandse lente tot 60 cm hoog kan worden, met kleine schildvormige vangblaadjes langs de hele stengel. Lang gold hij als ondersoort van D. peltata, maar zijn kale kelkbladen en lange, cilindrische zaden maken hem goed te onderscheiden.

Drosera auriculata
Foto: Rosťa Kracík — CC BY 3.0 cz · Wikimedia Commons
Drosera auriculata — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: Harry Rose from South West Rocks, Australia — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons
Drosera auriculata — de bloem
De bloem · Foto: Harry Rose from South West Rocks, Australia — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons
Drosera auriculata — de standplaats
De standplaats · Foto: Rexness from Melbourne, Australia — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Uit een bolvormige knol van hooguit 10 mm groeit in de winter een rechtopstaande stengel van 9 tot 60 cm, olijfgroen, in Tasmanië soms kastanjebruin en in Nieuw-Zeeland soms rood. De basale bladeren zijn gereduceerd en liggen tegen de grond. Langs de stengel staan schildvormige, halvemaanvormige vangblaadjes op steeltjes, samen 5 tot 19 mm lang, bovenaan vaak in groepjes van twee tot zes. De eindstandige tros draagt twee tot veertien bloemen met omgekeerd eironde kroonbladen van 3 tot 10 mm, wit of vaker lichtroze. De kelkbladen zijn kaal, met een gave tot zwak getande rand. De drie stijlen zijn elk in 15 tot 30 cilindrische slippen gedeeld; de zaden zijn cilindrisch en 0,8 tot 1,6 mm lang.

Gelijkende soorten

Binnen het D. peltata-complex is de kale kelk het beste kenmerk: D. peltata in strikte zin, D. gunniana, D. hookeri en D. gracilis hebben alle behaarde kelkbladen. Daarnaast zijn de zaden van D. auriculata langer en cilindrisch, en zijn stijlen en kroonbladen naar verhouding langer. D. hookeri is bovendien veel kleiner en felgeelgroen; D. gunniana heeft roze tot rode knollen en dichtbehaarde kelken met lange haren.

De val en hoe hij werkt

Een actieve lijmval op een hoge drager. De randtentakels van de halvemaanvormige blaadjes, vooral die op de twee 'oortjes' waaraan de soort haar naam dankt, zijn lang en buigen snel naar een aangekleefd insect; kortere tentakels in het midden verteren de prooi. Doordat de blaadjes tot een halve meter hoog langs de stengel staan, vangt de plant veel vliegende insecten.

Standplaats en ecologie

Droge tot vochtige plekken, vaak tussen rotsen in bosgebied en op grindrijke grond (B2, B6, R3), in Zuid-Australië en elders ook op seizoensvochtige minerale bodem. In Nieuw-Zeeland en Australië groeit hij ook op verstoorde grond zoals bermen en taluds (H2). De plant loopt in de herfst of winter uit en rust in de zomer als knol.

Verspreiding en hoogte

Zuidoost-Australië — Queensland, New South Wales, het Australian Capital Territory, Victoria, Zuid-Australië en Tasmanië — en Nieuw-Zeeland, op het Noorder- en Zuidereiland. De gebiedsomschrijving noemt Queensland niet, maar volgens VicFlora en de International Carnivorous Plant Society komt de soort daar wel voor. Hoogtegrenzen zijn in de geraadpleegde bronnen niet gepubliceerd; het hoogteveld blijft leeg.

  • Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 267 vakken van een kwart graad waarin de soort werkelijk is waargenomen, uit GBIF en alleen uit waarnemingen die tot op vijf kilometer nauwkeurig zijn. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets. Bij bedreigde soorten gaat deze laag nooit fijner dan een hele graad, met opzet.

Vormen en variatie

De soort werd in 1848 door Planchon beschreven op basis van een naam van Backhouse. Lange tijd werd hij als D. peltata subsp. auriculata behandeld; de herziening van het complex door Gibson, Conn en collega's herstelde hem als zelfstandige soort. De kleur varieert regionaal: meestal olijfgroen, in Tasmanië soms kastanjebruin en in Nieuw-Zeeland soms rood. Oudere literatuur en databanken kunnen hem nog als ondersoort van D. peltata vermelden.

Waar en wanneer te zien

Zoek in de lente, in Australië vanaf juli en in Nieuw-Zeeland vanaf september, in open bos en op grindrijke, rotsige plekken, en langs bermen en taluds. De hoge, slanke stengels met hun kleverige blaadjes en roze bloemen zijn in laag licht goed te zien. Neem een loep mee en controleer de kelk: een kale kelk bevestigt D. auriculata. Graaf geen knollen uit.

Staat van instandhouding

Op de IUCN-Rode Lijst staat de soort als Niet bedreigd (LC); hij staat niet in CITES. Het areaal is groot en omvat twee landen; de soort verdraagt enige verstoring en groeit ook op bermen en taluds. Lokaal kan hij achteruitgaan door het verdwijnen van natuurlijke bosvegetatie en de verspreiding van invasieve planten.

Wetenschappelijke naam

Drosera auriculata | Backhouse ex Planchon, 1981

Oorspronkelijk benoemd door James Backhouse, formeel beschreven door Jules Émile Planchon in 1848, in Annales des Sciences Naturelles, Botanique, serie 3, deel 9, p. 295. Taxonomisch instabiel: in 1981 door Barry John Conn teruggebracht tot D. peltata subsp. auriculata, al wordt de soortstatus door sommige gezaghebbende bronnen nog steeds gehandhaafd. De precieze typelocatie kon niet worden achterhaald. De soort (een knolzonnedauw) komt voor in zuidoostelijk Australië. Van het Latijnse auricula ("oortje") — vermoedelijk verwijzend naar de oorvormige aanhangsels (stipels) aan de bladvoet, al is dit niet letterlijk bevestigd in een bron.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.