Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera tracyi

Drosera tracyi

De grootste zonnedauw van Noord-Amerika, en een van de grootste van de wereld die uit een eenvoudige grondrozet groeit: een bundel groene, met glinsterende druppels bezette draden die tot een halve meter hoog kan worden. Drosera tracyi is een soort van de kustvlakte langs de Golf van Mexico, van Louisiana tot het noordwesten van Florida en het zuiden van Georgia, en staat daar in natte, open dennensavannes en op kwelhellingen die regelmatig branden. De soort werd lang als variëteit van D. filiformis behandeld en wordt tegenwoordig — onder meer in Plants of the World Online en de Flora of North America — als eigen soort erkend.

Drosera tracyi
Foto: Alex Abair — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons
Drosera tracyi — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: Alex Abair — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons
Drosera tracyi — de bloem
De bloem · Foto: Alex Abair — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons
Drosera tracyi — de standplaats
De standplaats · Foto: Alex Abair — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een overblijvende plant zonder duidelijke stengel, met een pol rechtopstaande, draadvormige bladeren van 20 tot 50 cm lang. Er is geen aparte bladsteel of bladschijf; het blad is over bijna de hele lengte met gesteelde klieren bezet, en die zijn hier groen, hooguit met een licht rozige gloed — het beste veldkenmerk. Jonge bladeren komen opgerold uit het hart. De bloemstengel draagt een eenzijdige tros van enkele tot vele bloemen van ongeveer 2 cm breed, met vijf bleekroze tot lichtpaarse kroonbladen. In de winter vormt de plant een winterknop (hibernaculum) van opgevouwen jonge bladeren.

Gelijkende soorten

Alleen Drosera filiformis lijkt erop: die is kleiner, met bladeren van hooguit ongeveer 25 cm, en heeft rode tot purperrode tentakels en donkerder roze bloemen. De twee overlappen nauwelijks: D. filiformis is een soort van de Atlantische kust, D. tracyi van de Golfkust. In het noordwesten van Florida staan planten die tussen beide in zitten, en daar is een scherpe grens op het oog niet te trekken. Andere zonnedauwen in hetzelfde gebied, zoals D. capillaris, D. brevifolia en D. intermedia, hebben een rozet van gesteelde, verbrede bladschijven en zijn niet te verwarren.

De val en hoe hij werkt

Een actieve lijmval. De druppels op de lange draden werken als een verticaal vliegenvangertje: alles wat tegen de bundel aan vliegt of erlangs kruipt, blijft plakken. De tentakels buigen naar de prooi toe, en bij grotere prooien buigt ook de draad zelf licht om het insect heen. Omdat het blad zo lang is en rechtop staat, vangt deze soort meer vliegende prooi dan de platte rozetten in hetzelfde gebied, waaronder ook flinke vliegen, bijen en kleine vlinders. De vertering verloopt, zoals bij alle zonnedauwen, via enzymen die de klieren afscheiden, waarna de opgeloste voedingsstoffen door dezelfde klieren worden opgenomen.

Standplaats en ecologie

Natte, zure, voedselarme zandgrond in open dennensavannes en vlakke dennenbossen (B6), op kwelhellingen waar grondwater aan de oppervlakte sijpelt, en langs de randen van moerassen en veenachtige laagtes (W4). De soort is afhankelijk van regelmatige brand die struiken en hoog gras terugdringt; zonder brand verdwijnt hij onder de opslag. Hij vestigt zich ook in natte bermsloten en greppels langs wegen door dennenbos (H1), waar maaien en greppelonderhoud het terrein openhouden.

Verspreiding en hoogte

De kustvlakte langs de noordkust van de Golf van Mexico in het zuidoosten van de Verenigde Staten: het noordwesten van Florida (de Panhandle), het zuiden van Alabama, het zuiden van Mississippi, het zuidwesten van Georgia en het oosten van Louisiana. Buiten dat gebied komt hij niet in het wild voor. Waarnemingsgegevens concentreren zich sterk in Florida, Alabama en Mississippi. Het gaat steeds om laagland dicht bij de kust; er is geen gepubliceerd hoogtebereik gevonden, zodat het hoogteveld leeg blijft.

Vormen en variatie

Er worden binnen D. tracyi geen variëteiten onderscheiden. Wel speelt de verhouding met D. filiformis: de Floridaanse planten die bekendstaan als D. filiformis var. floridana hebben kenmerken van beide en worden door sommige auteurs als stabiele tussenvorm gezien. Ook zijn er natuurlijke hybriden met andere zonnedauwen uit het gebied gemeld; die worden in deze gids niet als aparte bladzijde gevoerd.

Waar en wanneer te zien

Mei en juni: de bladeren zijn dan op hun langst en de bloemen staan open. Zoek in de natste delen van een dennensavanne die in de afgelopen twee à drie jaar gebrand heeft; daar staan de pollen het meest open en vallen ze van ver op als een zilverige waas boven het gras. Kijk tegen het licht in, dan lichten de druppels op. Veel groeiplaatsen liggen op natuurterreinen en in staatsbossen; blijf op de paden, want kwelhellingen zijn drassig en kwetsbaar.

Staat van instandhouding

De soort is niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en staat niet in CITES. Binnen het kleine areaal is hij plaatselijk nog talrijk, maar de dennensavannes van de Golfkust zijn in de afgelopen eeuw grotendeels verdwenen door bosbouwplantages, ontwatering, bebouwing en het onderdrukken van natuurlijke branden. Wat overblijft is versnipperd; de toekomst van de soort hangt vrijwel geheel af van beheer met gecontroleerde brand in de resterende natuurgebieden.

Wetenschappelijke naam

Drosera tracyi | Macfarlane, 1906

De naam werd in 1906 gepubliceerd door Ludwig Diels als Drosera filiformis var. tracyi (toegeschreven aan "Macfarlane ex Diels"), in Engelers reeks Das Pflanzenreich (IV.112). Later werd de plant ook als zelfstandige soort Drosera tracyi Macfarl. behandeld, met een citaat in L.H. Bailey's Standard Cyclopedia of Horticulture, deel 2, p. 1077 (1914). Botanici zijn het tot op heden niet eens of dit een zelfstandige soort dan wel een variëteit van D. filiformis betreft. De precieze typelocatie en verzamelgegevens konden niet met zekerheid worden achterhaald. De plant komt van nature voor in de kustvlakte van de Golf van Mexico, van Florida tot Mississippi/Louisiana. De naam tracyi is een eerbetoon (eponiem) aan een persoon met de achternaam Tracy. Vermoedelijk gaat het om Samuel Mills Tracy (1847–1920), een Amerikaanse botanicus die hoofd was van het landbouwkundig proefstation van Mississippi en die actief plantenonderzoek deed in de zuidoostelijke Golfstaten — het verspreidingsgebied van deze plant. Een expliciete, met de bron bevestigde koppeling tussen de naam en deze persoon kon echter niet worden gevonden; de identificatie blijft dus aannemelijk maar niet met zekerheid bevestigd.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.