Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera zigzagia
Drosera zigzagia
Een kleine, rechtopstaande knolzonnedauw van de zoutmeerranden in het zuiden van West-Australië, genoemd naar zijn opvallende stengel die bij elk blad van richting verandert. Drosera zigzagia bloeit geel en groeit vaak samen met de witbloeiende D. salina.

Herkenning
Een rechtopstaande meerjarige knolplant van 5 tot 7 cm hoog, met een zigzaggende stengel waarlangs de kleine vangbladeren afzonderlijk en afwisselend staan — bij elk blad knikt de stengel. De bloeiwijze draagt vier tot negen gele bloemen, die in augustus en september verschijnen. Nauwkeurige blad- en bloemmaten zijn in de geraadpleegde bronnen niet gepubliceerd.
Gelijkende soorten
Op dezelfde zoutmeerranden groeit Drosera salina, eveneens klein en rechtopstaand, maar met witte bloemen en zonder de duidelijke zigzagstengel. Andere geelbloeiende knolzonnedauwen, zoals D. subhirtella en D. sulphurea, zijn klimmers van tientallen centimeters en groeien niet aan zoutmeren.
De val en hoe hij werkt
Een actieve lijmval, maar dan hoog boven de grond. De bladeren langs de stengel zijn klein, schildvormig en vaak komvormig, met langere tentakels langs de rand en kortere op de schijf. Vliegende insecten — muggen, kleine vliegen, soms bijen of vlinders die op de bloemen afkomen — raken de druppels en blijven hangen. De randtentakels buigen daarna naar binnen en het schijfje sluit zich deels om de prooi, waarna de klieren enzymen afscheiden en de opgeloste voedingsstoffen opnemen. Doordat de vallen verspreid langs een rechtopstaande of klimmende stengel zitten, bestrijkt de plant een veel groter luchtruim dan een rozet aan de grond.
Standplaats en ecologie
De randen van zoutmeren, op bruine zandige leem (D4, D1). De plant groeit daar vaak samen met Drosera salina, Stylidium-soorten, Levenhookia leptantha en Frankenia — een kenmerkend gezelschap van de zandige overgangszone rond zoutmeren.
Verspreiding en hoogte
Endemisch voor West-Australië, in het zuiden, rond zoutmeren. Een nadere begrenzing is in de geraadpleegde bronnen niet gegeven. Hoogtegrenzen zijn niet gepubliceerd.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Allen Lowrie beschreef de soort in 1999 en plaatste haar in ondergeslacht Ergaleium, sectie Ergaleium. Als synoniem geldt Drosera huegelii var. flaviflora W.Fitzg. ex Ewart, een oudere naam die al op de gele bloemen wees. Er worden geen ondersoorten onderscheiden.
Waar en wanneer te zien
Augustus en september, bij zon, als de gele bloemen open staan. Zoek op de zandige, iets hogere rand van zoutmeren, en kijk naar kleine plantjes met een knikkende stengel tussen Frankenia en Stylidium. Blijf van de zoutkorst af — die is na regen zacht en betreding laat lang zichtbare sporen na.
Staat van instandhouding
Op de IUCN-Rode Lijst als niet bedreigd (LC) beoordeeld; niet in CITES. De geraadpleegde bronnen noemen geen specifieke bedreigingen. Zoutmeerranden in de graangordel worden wel aangetast door de verzilting die volgt op ontbossing.
Wetenschappelijke naam
Drosera zigzagia | Lowrie, 1999
Drosera zigzagia werd in 1999 beschreven door Allen Lowrie, gepubliceerd in Nuytsia, deel 13(1), pagina 85 (binnen het artikel op pagina's 75-87). De soort is endemisch in West-Australië en komt voor aan de randen van zoutmeren in bruine, zandige leemgrond; een precieze typelocatie met verzamelaar en verzameldatum kon niet met zekerheid worden achterhaald. De naam zigzagia is een beschrijvende term, afgeleid van het woord "zigzag", en verwijst naar de kleine, alleenstaande vleesetende bladeren die afwisselend langs een zigzaggende stengel staan — een kenmerkend morfologisch detail van deze soort.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.