Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera roseana

Drosera roseana

Een dwergzonnedauw van West-Australië waarvan de taxonomische positie nog in beweging is. Drosera roseana werd in 1992 door N.G. Marchant en Allen Lowrie als soort beschreven; Plants of the World Online voert haar als zelfstandige soort, terwijl de GBIF-ruggengraat haar als ondersoort van D. paleacea behandelt. Deze gids volgt de indeling als soort. De beschikbare bronnen over deze plant zijn dun, en deze tekst is daarom korter dan gebruikelijk.

Drosera roseana
Foto: Philipp Weigell — CC BY 3.0 · Wikimedia Commons
Drosera roseana — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: Devon Peterson in kweek — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Drosera roseana — de bloem
De bloem · Foto: Michal Rubeš — CC BY 3.0 cz · Wikimedia Commons
Drosera roseana — de standplaats
De standplaats · Foto: Philipp Weigell — CC BY 3.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een typische dwergzonnedauw: een rozetje van gesteelde, ronde bladschijfjes met tentakels rond een knop van steunblaadjes. Het enige kenmerk dat in de geraadpleegde bronnen expliciet wordt genoemd, is dat de bloemen zoet geuren — onder dwergzonnedauwen een minder gebruikelijke eigenschap. Bloemkleur, bloeitijd en maten van blad en bloem zijn in de toegankelijke bronnen niet vermeld; alle maatvelden blijven leeg. Wie de plant wil determineren, heeft de oorspronkelijke beschrijving uit 1992 of Lowrie's handboek uit 2013 nodig.

Gelijkende soorten

De voor de hand liggende verwisseling is met Drosera paleacea, waarvan zij in een deel van de literatuur als ondersoort wordt beschouwd. Het verschil tussen beide is in de geraadpleegde bronnen niet uitgewerkt; de geur van de bloem is mogelijk een aanwijzing, maar dat kan hier niet worden bevestigd.

De val en hoe hij werkt

Een actieve lijmval op miniatuurschaal. Elk bladschijfje, vaak niet groter dan een speldenknop tot enkele millimeters, draagt aan de rand en op de bovenzijde gesteelde klieren met een glinsterende, kleverige druppel; de randtentakels zijn meestal het langst. Een diertje dat de druppels raakt blijft vastzitten, waarna de tentakels zich naar het midden van het schijfje buigen en de prooi tegen de verterende klieren drukken. De klieren scheiden enzymen af en nemen stikstof, fosfor en mineralen op uit wat oplost. Door het formaat bestaat de vangst uit het allerkleinste: springstaarten, mijten, bladluizen, trips en minuscule muggen die over of vlak boven de zandbodem bewegen.

Standplaats en ecologie

Nadere standplaatsgegevens zijn in de geraadpleegde bronnen niet vermeld. De toegekende codes — zand en open heide (D1, B5) — geven de gebruikelijke omgeving van de paleacea-groep weer en zijn een voorlopige inschatting, geen gepubliceerde waarneming.

Verspreiding en hoogte

Endemisch voor West-Australië. Een nadere begrenzing van het areaal is in de toegankelijke bronnen niet gevonden. Hoogtegrenzen zijn niet gepubliceerd.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 5 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Beschreven in 1992 door N.G. Marchant en Allen Lowrie. Jan Schlauer bracht de plant later onder bij D. paleacea als subsp. roseana; GBIF volgt die indeling, Plants of the World Online niet. Die onenigheid is de belangrijkste open vraag rond deze naam.

Waar en wanneer te zien

Zonder betrouwbare gegevens over bloeitijd en vindplaatsen is gericht zoeken lastig. Raadpleeg vóór een bezoek het soortprofiel in FloraBase of een plaatselijke plantenvereniging, en behandel iedere dwergzonnedauw van open zand met zorg: niet betreden, niet verplaatsen.

Staat van instandhouding

Op de IUCN-Rode Lijst als niet bedreigd (LC) beoordeeld; niet in CITES. Nadere gegevens over populatiegrootte of bedreigingen zijn in de geraadpleegde bronnen niet gevonden.

Wetenschappelijke naam

Drosera roseana | Marchant & Lowrie, 1996

Drosera roseana werd in 1992 beschreven door Neville Gordon Marchant & Allen Lowrie, gepubliceerd in Kew Bulletin, deel 47(2): 327. Het holotype werd verzameld in West-Australië, aan Millbrook Road, ongeveer 5 km ten oosten van de Albany Highway, op 17 oktober 1987 door Allen Lowrie, in venige zandgrond langs de rand van moerassen; het specimen berust in het herbarium PERTH (nr. 2344807). De precieze herkomst van het epitheton roseana kon niet met zekerheid worden achterhaald. Mogelijk is het afgeleid van het Latijnse roseus ("rozig, roze") en verwijst het beschrijvend naar de kleur van de plant (de vangbladeren variëren van geelgroen via roze tot dieprood); een eponiem karakter (vernoeming naar een persoon met de naam Rose) kon evenmin worden bevestigd of uitgesloten.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.