Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera barbigera
Drosera barbigera
De 'gebaarde' dwergzonnedauw: barbigera betekent 'baarddragend' en verwijst naar de behaarde, rafelige steunblaadjes in het hart van de rozet. Jules Émile Planchon beschreef de soort al in 1848, op basis van vroege verzamelingen uit de kolonie aan de Swan River. Het is een van de oranje- tot roodbloeiende dwergzonnedauwen die in het voorjaar de laterietheuvels van het zuidwesten kleuren.




Herkenning
Een meerjarige dwergzonnedauw met vezelige wortels, 4 tot 10 cm hoog, die een open rozet vormt. In het hart staat de kegel van zilverachtige steunblaadjes die bij deze soort opvallend behaard is, vandaar de naam. De bloemen zijn oranje tot rood en verschijnen van augustus tot oktober. Maten van blad en bloem waren in de geraadpleegde bronnen niet beschikbaar.
Gelijkende soorten
Er zijn meerdere oranjebloeiende dwergzonnedauwen in het zuidwesten, waaronder Drosera miniata, Drosera callistos, Drosera echinoblastus en de in 2018 beschreven Drosera albonotata. De afbakening binnen deze groep is in de loop der jaren meermaals verschoven, en FloraBase rekent planten met oranje tot rode bloemen tot D. barbigera. De behaarde steunblaadjes en de tekening van het bloemhart zijn de belangrijkste kenmerken; een loep is onmisbaar. Een verwante vorm uit de bossen van het zuidwesten, oorspronkelijk als D. silvicola beschreven, is door Schlauer als ondersoort bij D. barbigera ondergebracht.
De val en hoe hij werkt
Een actieve lijmval. De kleine bladeren dragen gesteelde klieren met kleefdruppels; springstaarten, mijten en minuscule vliegjes die ermee in aanraking komen, blijven vastzitten. De tentakels buigen zich naar de prooi en scheiden enzymen af. Op arme, grindrijke lateriet is deze bijvangst een belangrijke bron van stikstof en fosfor.
Standplaats en ecologie
Lateritische grond op de toppen van heuvels (FloraBase): het grindige, ijzerrijke oppervlak van de oude verweringskorst die grote delen van het zuidwesten bedekt (D3). De begroeiing is er open heide en laag struweel (B5). In de winter blijft het grind vochtig; in de zomer droogt het volledig uit en overleeft de plant als rustende knop.
Verspreiding en hoogte
Endemisch in het zuidwesten van West-Australië. FloraBase noemt de bioregio's Avon Wheatbelt, Geraldton Sandplains, Jarrah Forest, Mallee en Swan Coastal Plain: een breed gebied van de noordelijke zandvlakten tot het binnenland.
- Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Vormen en variatie
FloraBase erkent de ondersoort D. barbigera subsp. silvicola, oorspronkelijk door Lowrie en Carlquist als eigen soort D. silvicola beschreven en door Schlauer tot ondersoort teruggebracht; elders wordt D. silvicola weer als soort behandeld. Daarnaast is de verhouding tot de oranjebloeiende D. miniata recent herzien. Deze gids volgt de soortafbakening van FloraBase, maar wijst erop dat die niet onomstreden is.
Waar en wanneer te zien
Ga in september naar een laterietheuvel met open heide; de oranje bloemen gaan op zonnige middagen open en zijn dan vanaf een paar meter te zien. Zoek op de kale grindplekken tussen de struiken. Bekijk de rozet met een loep om de 'baard' van haren op de steunblaadjes te zien, het kenmerk waar de soort zijn naam aan dankt.
Staat van instandhouding
Beoordeeld als niet bedreigd (LC) op de IUCN-Rode Lijst en in West-Australië als 'Not threatened'. Niet in CITES. Lateritische heuvels zijn in delen van het zuidwesten aangetast door grindwinning en bauxietmijnbouw, maar het verspreidingsgebied van de soort is groot. Door de onzekere afbakening ten opzichte van verwante soorten kunnen oude waarnemingen en herbariumgegevens deels op andere soorten betrekking hebben.
Wetenschappelijke naam
Drosera barbigera | Planchon, 1848
Beschreven door Jules Émile Planchon in 1848, in Annales des Sciences Naturelles, Botanique, serie 3, deel 9, p. 287. Een ondersoort, D. barbigera subsp. silvicola, werd in 1996 beschreven op basis van de eerder al bekende D. silvicola Lowrie & Carlquist. De typelocatie kon niet worden achterhaald — de botanische databases geven expliciet aan geen typegegevens te bezitten voor deze soort. Van het Latijnse barbiger ("gebaard") — verwijst vermoedelijk naar een behaard of "gebaard" bloem- of bladkenmerk.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.