Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera finlaysonii
Drosera finlaysonii
Een eenjarige zonnedauw uit de moessongebieden, die niet als platte rozet groeit maar als een rechtopstaand stengeltje met smalle, kleverige bladeren — een van de vele planten die lang zonder onderscheid onder de verzamelnaam Drosera indica vielen. Drosera finlaysoniana is genoemd naar George Finlayson, de Schotse chirurg en natuuronderzoeker die in 1821–22 met een Britse missie naar Siam en Cochin-China reisde en daar het typemateriaal verzamelde, in de omgeving van het huidige Da Nang in Vietnam. Pas in 2013 werd de naam door Barrett en Lowrie weer uit de synoniemie van D. indica gehaald.

Herkenning
Een eenjarige plant met een rechtopstaande, onvertakte of weinig vertakte stengel, bezet met lange, smalle, lijnvormige bladeren die over hun lengte met tentakels bedekt zijn. De kenmerken die de soort binnen de D. indica-groep (sectie Arachnopus) onderscheiden, zijn subtiel en liggen vooral in details: de gesteelde klierharen reiken niet tot aan de stengelvoet, tussen de klieren staan maar weinig enkelvoudige haren, de helmknoppen zijn normaal gevormd (niet kapvormig zoals bij sommige verwanten), en het zaad is betrekkelijk klein met een duidelijk netvormig oppervlak. Betrouwbare maten uit de revisie waren voor deze gids niet in te zien; de maatvelden blijven daarom leeg.
Gelijkende soorten
Het hele gezelschap van eenjarige, rechtopstaande zonnedauwen met lijnvormige bladeren in tropisch Azië en Noord-Australië lijkt op elkaar: Drosera indica in strikte zin, en in Australië een reeks recent onderscheiden soorten zoals D. aurantiaca, D. cucullata, D. fragrans, D. glabriscapa en D. hartmeyerorum. Onderscheid gaat vooral via bloemkleur, beharing van stengel en bloemstengel, de vorm van de helmknoppen en de zaadstructuur — met een loep, niet op het oog. Waar alleen vegetatieve planten staan, is een zekere determinatie vaak niet mogelijk.
De val en hoe hij werkt
Een actieve lijmval op een ongewone vorm. De lange, smalle bladeren staan schuin omhoog of hangen wat over, en dragen over hun hele lengte tentakels met kleverige druppels. Kleine vliegende insecten die tussen de bladeren door bewegen, blijven plakken; de tentakels buigen naar de prooi en bij grotere prooien krult ook het blad zich om het insect. Enzymen uit de klieren verteren de prooi. Omdat de plant boven de grond uitsteekt, vangt hij relatief veel vliegende prooi.
Standplaats en ecologie
Seizoensnatte grond in het moessonklimaat: laagtes die in de regentijd onder water staan en daarna uitdrogen (W7), en open, natte plekken in savannes en open bossen (B6). In het zuiden van het Australische areaal staat hij vooral landinwaarts, in eucalyptusbossen die periodiek overstromen. De levensloop past bij dat ritme: de plant kiemt als de grond nat wordt, bloeit, zet zaad en sterft wanneer het droge seizoen invalt.
Verspreiding en hoogte
Australië, vooral in het noorden (het noorden van West-Australië, het Noordelijk Territorium en Queensland), met verder zuidelijke vindplaatsen landinwaarts in Nieuw-Zuid-Wales en Zuid-Australië; daarnaast in tropisch Azië: Hainan, Taiwan, de Filipijnen en het vasteland van Zuidoost-Azië, waaronder Vietnam, waar het type verzameld is. Let op: de korte gebiedsaanduiding in de soortenlijst van deze gids (Thailand tot Indochina) dekt alleen het Aziatische deel; de meeste gedocumenteerde waarnemingen komen juist uit Australië. Een hoogtebereik is niet gepubliceerd gevonden.
Vormen en variatie
Binnen de soort worden geen variëteiten onderscheiden. De hele sectie Arachnopus is de laatste vijftien jaar taxonomisch sterk in beweging: waar vroeger één wijdverbreide soort werd aangenomen, worden nu meer dan tien soorten erkend. De afgrenzing van D. finlaysoniana, vooral in Azië, is nog niet voor alle populaties getoetst. De verwante naam D. finlaysonii is een andere schrijfwijze van dezelfde naam uit Wallichs catalogus; die heeft in deze gids een aparte, verwijzende bladzijde.
Waar en wanneer te zien
Zoek aan het einde van het regenseizoen, als de planten volgroeid zijn en bloeien; in Noord-Australië is dat grofweg het einde van de natte tijd, in het zuiden later. De planten staan in open, natte laagtes, vaak tussen grassen, en vallen op door het glinsteren van de druppels langs de dunne bladeren. Neem een loep mee om bloem en helmknoppen te bekijken, want zonder die details is de soort niet met zekerheid van haar verwanten te onderscheiden.
Staat van instandhouding
De soort staat als niet bedreigd (LC) op de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en komt niet voor in CITES. Het areaal is groot en de soort is in Noord-Australië wijd verspreid. Omdat de afgrenzing tegenover verwante soorten recent is, zeggen oudere beoordelingen en tellingen van 'D. indica' niet altijd iets over deze soort in de huidige zin. Lokale bedreigingen zijn ontwatering, begrazing en omzetting van seizoensnatte gebieden in landbouwgrond.
Wetenschappelijke naam
Drosera finlaysonii | Wallich ex Arnott, 1837
Beschreven door Nathaniel Wallich, geldig gepubliceerd door George Arnott Walker Arnott in 1837, in Companion to the Botanical Magazine, deel 2, p. 314-315. Oorspronkelijk gepubliceerd als "finlaysoni". De precieze typelocatie kon niet worden achterhaald. De soort is inheems in Zuidoost-Azië. Zeer waarschijnlijk vernoemd naar George Finlayson (1790-1823), de Schotse natuuronderzoeker die in 1821-1822 met de Crawfurd-missie naar Siam (Thailand) en Cochinchina (Vietnam) reisde en wiens verzamelingen door Wallich werden bestudeerd. Dit blijft echter een sterke aanname, geen letterlijk bevestigd feit voor deze specifieke plant.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.