Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera caduca
Drosera caduca
Drosera caduca is een raadselachtige zonnedauw: een vleesetende plant die zijn vangapparaat grotendeels opgeeft. Alleen de jeugdbladeren dragen de kleverige tentakels die het geslacht kenmerken; de volwassen bladeren missen ze. De soortnaam, Latijn voor 'afvallend' of 'vergankelijk', verwijst naar dat vroege verlies. De soort is endemisch in de noordelijke Kimberley van West-Australië.

Herkenning
Een meerjarige rozetplant uit het D. petiolaris-complex, die vaak meerdere rozetten tegelijk vanuit het wortelstelsel vormt, zodat er kleine groepjes ontstaan. De jeugdbladeren hebben, zoals bij verwanten, een lange steel met een klein vangschijfje met kliertentakels. Bij de volwassen bladeren ontbreken die tentakels; het schijfje is dan niet meer kleverig. Dit is het meest betrouwbare veldkenmerk. De bloemen zijn wit. Betrouwbare maten waren voor deze gids niet beschikbaar; de maatvelden blijven daarom leeg.
Gelijkende soorten
Andere soorten uit het D. petiolaris-complex in de Kimberley, zoals D. petiolaris, D. derbyensis en D. dilatatopetiolaris, dragen op alle bladeren kliertentakels. Een volwassen rozet zonder kleverige schijfjes is binnen de groep daarom al een sterke aanwijzing voor D. caduca. Jonge planten met nog volledig bezette jeugdbladeren zijn zonder vindplaatsgegevens nauwelijks van verwanten te onderscheiden.
De val en hoe hij werkt
Een actieve lijmval, maar alleen in de jeugd. De jeugdbladeren dragen kliertentakels die, zoals bij andere zonnedauwsoorten, kleine insecten met kleverig slijm vangen en verteren. Bij het volwassen worden verdwijnen de tentakels van de nieuwe bladeren, en daarmee grotendeels de vleesetende functie. Waarom de plant dit doet, is niet opgehelderd; mogelijk weegt in zijn habitat de kostenbesparing van het niet aanmaken van klieren op tegen de opbrengst van de vangst.
Standplaats en ecologie
Witte zandgrond langs de oevers van kreken (D1), op plekken die in de regentijd nat staan en daarna uitdrogen (W7), in een landschap van savanne en open bosland op zandsteen (B6).
Verspreiding en hoogte
Endemisch in de noordelijke Kimberley van West-Australië: van de Edkins Range tot het zuidelijke deel van het Prince Regent National Park, en op Augustus Island. De gebiedsomschrijving 'tropisch Noord-Australië' is dus ruimer dan het werkelijke areaal, dat tot West-Australië beperkt is. Hoogtegrenzen zijn in de geraadpleegde bronnen niet gepubliceerd; het hoogteveld blijft leeg.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er worden geen variëteiten onderscheiden. De soort werd in 1996 door Allen Lowrie beschreven. Het verlies van tentakels op volwassen bladeren is binnen het geslacht zeer ongewoon; het is daarom van belang bij de determinatie volwassen, niet alleen jonge, bladeren te bekijken.
Waar en wanneer te zien
De groeiplaatsen liggen in een van de meest afgelegen streken van Australië en zijn grotendeels alleen per boot, helikopter of via langdurige terreinexpedities bereikbaar. Wie de kans krijgt, zoekt in de late regentijd langs kreken met wit zand naar groepjes rozetten waarvan de bladeren niet glinsteren. Het gebied is deels nationaal park en deels Aboriginal land; toegang vereist toestemming.
Staat van instandhouding
Op de IUCN-Rode Lijst staat de soort als Niet bedreigd (LC); hij staat niet in CITES. Het areaal is klein maar ligt in een van de minst verstoorde delen van Australië, deels binnen het Prince Regent National Park. Mogelijke bedreigingen zijn veranderingen in het brandregime en verwilderde grazers.
Wetenschappelijke naam
Drosera caduca | Lowrie, 1996
Beschreven door Allen Lowrie in 1996, in Nuytsia, deel 11, nr. 1, p. 55-69. August Island, West-Australië; typemateriaal verzameld op 27 mei 1993. Van het Latijnse caducus ("vroeg afvallend") — verwijst naar het ontbreken van kleverige vangharen op alle bladeren behalve de jongste: bij volwassen bladeren verdwijnen de vangklieren.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.