Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera darwinensis
Drosera darwinensis
Drosera darwinensis is de zonnedauw van de achtertuin van Darwin: een lid van het D. petiolaris-complex met een klein verspreidingsgebied ten zuiden en oosten van de hoofdstad van het Northern Territory. Allen Lowrie beschreef de soort in 1996 en noemde haar naar de streek waar ze groeit; het type werd in april 1990 bij Palmerston verzameld.

Herkenning
Een meerjarige rozet van bladeren met lange, smalle stelen en een klein rond vangschijfje aan de top, zoals kenmerkend voor het D. petiolaris-complex. Het meest bruikbare kenmerk is de bloeiwijze: die is met 5 tot 15 cm opvallend kort vergeleken met die van de nauw verwante D. brevicornis, die 30 tot 40 cm hoog wordt. De bloemen zijn roze of wit. Betrouwbare bladmaten waren voor deze gids niet beschikbaar; dat maatveld blijft leeg.
Gelijkende soorten
De naaste verwant is Drosera brevicornis, waarvan hij zich vooral door de veel kortere bloeiwijze onderscheidt. D. fulva, die in hetzelfde gebied rond Darwin voorkomt, heeft roodbruine beharing en hoge bloeiwijzen van 25 tot 45 cm; D. dilatatopetiolaris heeft verbrede groene bladstelen; D. petiolaris heeft eveneens hogere bloeiwijzen. Zonder bloei zijn deze soorten moeilijk uit elkaar te houden.
De val en hoe hij werkt
Een actieve lijmval. De ronde schijfjes aan het eind van de lange stelen dragen kliertentakels met kleverig slijm, waarin kleine insecten blijven kleven; de tentakels buigen vervolgens naar de prooi en de klieren verteren haar. Doordat de schijfjes net boven de grond staan, bestaat de vangst vooral uit kleine laagvliegende en kruipende insecten.
Standplaats en ecologie
Kleiige zandgrond die in de regentijd nat wordt (W7), in open savannebosland (B6). Net als verwante soorten overleeft de plant de droge tijd in een klein, beschermd knopje van kleinere bladeren en loopt hij uit wanneer de regens terugkeren.
Verspreiding en hoogte
Endemisch in het Northern Territory, in een klein gebied ten zuiden en oosten van Darwin: van Palmerston tot Berry Springs en oostwaarts tot Humpty Doo. De gebiedsomschrijving 'omgeving Darwin' is daarmee juist. Hoogtegrenzen zijn in de geraadpleegde bronnen niet gepubliceerd; het hoogteveld blijft leeg.
- Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Vormen en variatie
Er worden geen variëteiten onderscheiden. De soort werd in 1996 door Allen Lowrie beschreven, samen met andere soorten uit het D. petiolaris-complex. De kleine bloeiwijzen zijn het belangrijkste onderscheid met D. brevicornis; overgangsvormen of hybriden tussen beide zijn in de geraadpleegde bronnen niet beschreven.
Waar en wanneer te zien
Zoek in de regentijd, december tot april, als de planten bloeien, op open, natte zandgrond in savanne rond Palmerston, Berry Springs en Humpty Doo. De korte bloeistengels maken de plant minder opvallend dan verwanten; kijk vooral naar de stervormige rozetten met rode schijfjes op het zand. Het gebied is sterk in ontwikkeling: veel groeiplaatsen liggen op of naast bouw- en landbouwgrond, waar toestemming van de eigenaar nodig is.
Staat van instandhouding
Op de IUCN-Rode Lijst staat de soort als Niet bedreigd (LC); hij staat niet in CITES. Het kleine areaal ligt echter in de snelst groeiende regio van het Northern Territory, rond Darwin en Palmerston. Uitbreiding van woonwijken, landbouw en infrastructuur, veranderingen in het brandregime en de verspreiding van invasieve grassen zijn daarom reële lokale bedreigingen.
Wetenschappelijke naam
Drosera darwinensis | Lowrie, 1996
Beschreven door Allen Lowrie in 1996, in "New species in Drosera section Lasiocephala (Droseraceae) from tropical northern Australia", Nuytsia, deel 11, nr. 1, p. 61 (artikel p. 55-69) — dezelfde publicatie als D. derbyensis, verderop in deze golf. 0,9 km ten zuiden van Temple Avenue, Palmerston, Northern Territory, verzameld op 8 april 1990. Vernoemd naar de Darwin-regio, Northern Territory, waar de soort algemeen voorkomt.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.