Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera mannii

Drosera mannii

Een roze bloeiende dwergzonnedauw uit het jarrahwoud van de noordelijke Darling Range, beschreven door de Britse botanicus Martin Cheek van Kew. Drosera mannii is een van de minder bekende leden van de grote groep Zuidwest-Australische dwergzonnedauwen; buiten de basisgegevens in FloraBase is er weinig over gepubliceerd dat we konden inzien.

Drosera mannii
Foto: Denis Barthel — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Drosera mannii — de bloem
De bloem · Foto: Denis Barthel — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Drosera mannii — de standplaats
De standplaats · Foto: Denis Barthel — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een kleine, overblijvende plant die tot 10 cm hoog wordt, met de rozet en de pluk stipels in het hart die alle dwergzonnedauwen kenmerken. De bloemen zijn roze. FloraBase geeft een bloeitijd van juni tot september, vroeger dan bij veel andere dwergzonnedauwen, die pas in het late voorjaar bloeien. Nauwkeurige maten van rozet, blad en bloem hebben we niet in een geraadpleegde bron gevonden.

Gelijkende soorten

Er zijn meerdere roze bloeiende dwergzonnedauwen in het zuidwesten, waaronder Drosera helodes van de natte kustvlakte en D. lasiantha van de zuidelijke granietbergen met zijn wollig behaarde bloemsteel. De standplaats in het jarrahwoud op leem en de relatief vroege bloei zijn aanwijzingen, maar voor een zekere determinatie zijn details van stijlen, stempels en beharing en de sleutel in Lowrie (2013) nodig.

De val en hoe hij werkt

Een actieve lijmval op miniatuurschaal. De bladschijfjes dragen gesteelde klieren met een kleverige druppel; de lange randtentakels vangen de prooi en buigen haar naar het midden van het blad, waar kortere klieren de vertering overnemen. De vangst bestaat uit springstaarten, mijten en de kleinste vliegjes van de bosbodem.

Standplaats en ecologie

Leemgrond in het open jarrahwoud van de noordelijke Darling Range (B1, D3, W7), een bos van Eucalyptus marginata op lateritische bodems. De codes voor lateriet en seizoensnatte plekken zijn afgeleid van het karakter van dat bos, niet van een gepubliceerde standplaatsbeschrijving. Zoals alle dwergzonnedauwen groeit de plant in de natte winter en rust hij in de zomer.

Verspreiding en hoogte

Endemisch voor Zuidwest-Australië. FloraBase noemt alleen de bioregio Jarrah Forest, deelgebied Northern Jarrah Forest: de noordelijke Darling Range, ten oosten en zuidoosten van Perth.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. Het donkere vak is het enige hok van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt. Het zegt waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er zijn geen ondersoorten of variëteiten beschreven. Zoals de meeste dwergzonnedauwen vormt de plant broedknoppen (gemmae) in het hart van de rozet, die door regendruppels worden verspreid.

Waar en wanneer te zien

Zoek in de winter en het vroege voorjaar in het open jarrahwoud van de Darling Range, op kale plekjes leem tussen het strooisel. Omdat de plant klein is en de bloemen alleen bij zon opengaan, is een heldere dag rond het middaguur de beste kans. Let op het risico van de wortelrot Phytophthora in het jarrahwoud: maak je schoenen schoon voor en na het bezoek en blijf op de paden.

Staat van instandhouding

Op de wereldwijde Rode Lijst van de IUCN staat de soort als niet bedreigd (LC); in West-Australië geldt hij als niet bedreigd. In CITES is hij niet opgenomen. Het jarrahwoud staat onder druk van bauxietwinning, houtkap, de wortelrot Phytophthora cinnamomi en afnemende regenval. Onzekerheid: de bronnen zijn dun; de oorspronkelijke beschrijving hebben we niet kunnen inzien.

Wetenschappelijke naam

Drosera mannii | Cheek, 1990

Beschreven door M. Cheek in 1990, in Phytologia, deel 68, nr. 2, p. 86. De enige bekende populatie bevindt zich nabij Bannister, zuidwestelijk West-Australië, op klei- en veenachtige zandgrond in een winter-vochtig stroomgebied. Het achtervoegsel -ii wijst op een eerbetoon aan een persoon met de achternaam Mann, maar wie precies geëerd wordt kon niet worden achterhaald.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.