Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera margaritacea

Drosera margaritacea

Een van de jongste zonnedauwen van Australië, in 2021 beschreven door Thilo Krueger en Andreas Fleischmann. Drosera margaritacea is een eenjarige soort uit de verwantschap van Drosera indica, uit de westelijke Kimberley in het tropische noorden van West-Australië. De naam betekent 'parelachtig' en verwijst naar de melkwitte klieren die als parels op de bladstelen staan.

Drosera margaritacea
Foto: Hugo Innes — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een eenjarige plant met een stengel waarlangs lange, smalle vangbladen staan, zoals bij alle leden van de sectie Arachnopus. Het kenmerk waaraan de soort zijn naam dankt, zit op de korte bladsteel: die is bezet met gesteelde, melkwitte slijmklieren die er in het licht uitzien als kleine parels. In de bloem vallen de meeldraden op door een afgeronde, gele verdikking aan de top van het helmbindsel, waarrond de helmhokken uitsteken. De bloeiwijzen zijn opvallend hoog en veelbloemig. Maten hebben we niet uit de oorspronkelijke beschrijving kunnen overnemen.

Gelijkende soorten

De naaste verwant is Drosera finlaysoniana, waarvan het areaal en de omschrijving in hetzelfde artikel zijn aangepast; planten die eerder onder die naam of onder D. indica in brede zin werden gerekend, kunnen tot D. margaritacea behoren. De melkwitte klieren op de bladsteel en de gele knop aan het helmbindsel zijn de beslissende kenmerken; bij verwante soorten zijn de klieren op de bladsteel anders gekleurd of ontbreken ze.

De val en hoe hij werkt

Een actieve lijmval. De lange bladeren dragen gesteelde klieren met kleverige druppels; insecten die erop landen, blijven kleven, waarna het blad zich langzaam om de prooi kan krommen. Welke functie de melkwitte klieren op de bladsteel precies hebben, is niet onderzocht.

Standplaats en ecologie

Specifieke standplaatsgegevens hebben we niet kunnen inzien. Leden van de sectie Arachnopus in de Kimberley groeien doorgaans in zanderige, seizoensnatte laagten in savanne en open bosland, en de codes volgen dat algemene beeld (W7, B6, D1). Als eenjarige overleeft de plant het droge seizoen als zaad. Foto's bij de beschrijving werden in juli op de typevindplaats gemaakt.

Verspreiding en hoogte

Endemisch voor de westelijke Kimberley, in het noorden van West-Australië. De soort hoort dus niet bij de Zuidwest-Australische zonnedauwflora, maar groeit ruim tweeduizend kilometer noordelijker, in het tropische moessongebied.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 7 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er zijn geen ondersoorten of variëteiten. De beschrijving maakt deel uit van een voortdurende herziening van de sectie Arachnopus, waarin wat vroeger als één wijdverbreide D. indica gold, in Australië in een reeks afzonderlijke soorten is opgesplitst.

Waar en wanneer te zien

De westelijke Kimberley is afgelegen en grotendeels alleen in het droge seizoen over de weg bereikbaar. Kijk bij eenjarige zonnedauwen met lange bladeren altijd naar de bladsteel: melkwitte, parelachtige klieren zijn het teken van deze soort. Een loep is nodig voor de gele knop aan het helmbindsel.

Staat van instandhouding

De soort is niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst (NE) en staat niet in CITES. Het westen van de Kimberley is dunbevolkt en de directe druk op de standplaatsen is waarschijnlijk gering, maar van een soort die pas in 2021 is beschreven, is over aantallen en trends nog niets bekend. Onzekerheid: maten, bloemkleur, bloeitijd en een eventuele behoudsbeoordeling in de oorspronkelijke publicatie hebben we niet kunnen inzien.

Wetenschappelijke naam

Drosera margaritacea | Krueger & Fleischmann, 2021

Drosera margaritacea werd in 2021 beschreven door Thilo Krueger en Andreas Fleischmann, in het tijdschrift Phytotaxa, deel 501(1), p. 56–84; de naam zelf werd formeel gepubliceerd op p. 57, in een artikel over een nieuwe soort uit sectie Arachnopus van de westelijke Kimberley (Australië). Het holotype (PERTH 9345124) werd op 18 juli 2020 verzameld door T. Krueger, circa 123 km WNW van Fitzroy Crossing nabij de Great Northern Highway, in de regio Derby–West Kimberley, West-Australië. De soortsnaam komt van het Latijnse margaritaceus, "parelachtig", en verwijst naar de opvallend melkwit gestoken slijmklieren op de korte bladsteel en een parelvormige verdikking aan de top van het helmknopverbindsel. Het is dus een beschrijvende naam, geen eer- of plaatsnaam.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.