Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera meristocaulis

Drosera meristocaulis

Een van de grote raadsels van het geslacht. Drosera meristocaulis groeit alleen op de Cerro de la Neblina, de hoogste berg van Zuid-Amerika buiten de Andes, op de grens van Venezuela en Brazilië. Toch zijn haar naaste verwanten geen Zuid-Amerikaanse zonnedauwen, maar de dwergzonnedauwen van Australië. De soort werd ontdekt tijdens expedities in 1953–1954 en in 1957 beschreven door Bassett Maguire en John Wurdack.

Drosera meristocaulis
Foto: Denis Barthel in kweek — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Drosera meristocaulis — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: Felix Stollberger — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een kussenvormende plant met vertakte stengels die tot ongeveer 15 cm lang worden en bekleed blijven met de dode bladeren van eerdere jaren; aan elke tak staat een kleine rozet. De bladeren zijn spatelvormig, 5 tot 12 mm lang en rood, met zilverachtige steunblaadjes aan de voet. De roze bloemen zijn ongeveer 20 mm in doorsnede en daarmee groot voor zo'n kleine plant. Een belangrijk kenmerk zit in de bloem: de stijlen zijn onverdeeld, terwijl ze bij de andere Zuid-Amerikaanse zonnedauwen gevorkt zijn.

Gelijkende soorten

Op de Neblina groeien ook Drosera roraimae en andere tepui-zonnedauwen, maar die hebben langgesteelde bladeren en witte of lichtroze bloemen en vormen geen vertakte kussens. De combinatie van vertakte, met dode bladeren beklede stengels, kleine rode spatelvormige bladeren en grote roze bloemen met onverdeelde stijlen is uniek. Uiterlijk doet de plant eerder denken aan een Australische dwergzonnedauw dan aan haar buren.

De val en hoe hij werkt

Een actieve lijmval zoals bij andere zonnedauwen. De kleine bladeren staan dicht opeen aan de uiteinden van de takken en vangen vooral minuscule insecten zoals springstaarten en muggen. In het koele, natte klimaat van de berg is de vangst bescheiden, maar in combinatie met het zeer voedselarme substraat blijft ze een belangrijke bron van stikstof.

Standplaats en ecologie

Open veenmoerassen en natte savannes op de hoogvlakte van de Neblina, drassige plekken langs beekjes en natte, kale rotsplaten (W1, W4, R5), op 1900 tot 2200 m hoogte. Het klimaat is koel en vrijwel het hele jaar nat. De plant groeit er tussen karakteristieke tepui-vegetatie van laag struikgewas, grassen en kussenplanten.

Verspreiding en hoogte

Alleen bekend van de Cerro de la Neblina op de grens van Venezuela en Brazilië, en daar volgens de beschikbare gegevens beperkt tot enkele noordelijke valleien. Opvallend genoeg is ze nooit gevonden op andere tepuis met vergelijkbare leefgebieden, hoewel die vaak goed zijn onderzocht.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 4 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er zijn geen variëteiten. De soort vormt in haar eentje het ondergeslacht Meristocaulis, dat in 1996 van sectie tot ondergeslacht werd verheven. DNA-onderzoek plaatste haar dicht bij de Australische dwergzonnedauwen; de verklaring voor die verre verwantschap, ofwel een zeer oude lijn uit de tijd van Gondwana, ofwel verspreiding over lange afstand, is nog onderwerp van discussie.

Waar en wanneer te zien

De Neblina is een van de meest afgelegen en ontoegankelijke bergen van het continent; bezoek is alleen mogelijk via zeldzame wetenschappelijke expedities met vergunningen van beide landen. Voor de meeste lezers blijft deze soort dus een plant van foto's en herbariumexemplaren. Wie er komt: blijf van de kwetsbare veenkussens af.

Staat van instandhouding

Niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en niet opgenomen in CITES. Het areaal is extreem klein, maar ligt in een nationaal park aan beide zijden van de grens en is praktisch onbereikbaar, zodat directe menselijke bedreigingen gering zijn. Klimaatverandering, die de koele tepui-toppen kan doen opwarmen en uitdrogen, geldt voor zulke bergtopsoorten als het grootste langetermijnrisico.

Wetenschappelijke naam

Drosera meristocaulis | Maguire & Wurdack, 1957

Drosera meristocaulis werd in 1957 beschreven door Bassett Maguire en John Julius Wurdack, in Memoirs of the New York Botanical Garden, deel 9, p. 332. Dezelfde auteurs richtten in dat werk ook de monotypische sectie Drosera sect. Meristocaulis op. Het holotype (NY 39379, New York Botanical Garden) werd op 5 januari 1954 door B. Maguire verzameld op de Cerro de la Neblina, langs de Río Yatua, 4 km ten zuiden van Cumbre Camp, Venezuela, op circa 1900 m hoogte, tijdens de NYBG-expeditie van 1953–1954. De naam is samengesteld uit het Griekse meristos ("verdeeld, deelbaar"; wortel van "meristeem") en het Latijnse caulis ("stengel"), en verwijst naar de ongewone, echte, herhaaldelijk vertakkende stengel met actief groeipunt van deze soort — een kenmerk dat binnen Drosera uniek is en de reden vormde om de soort in een eigen sectie te plaatsen. De precieze toelichting die de auteurs zelf gaven kon niet worden teruggevonden; de letterlijke betekenis van de samengestelde naam is echter duidelijk.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.