Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera miniata

Drosera miniata

Een dwergzonnedauw uit Zuidwest-Australië, beschreven door de Duitse botanicus Ludwig Diels, die aan het begin van de twintigste eeuw de eerste grote monografie van de zonnedauwfamilie schreef en zelf in West-Australië verzamelde. Drosera miniata hoort bij de sectie van de dwergzonnedauwen. Voor deze soort hebben we alleen de naam, de auteur en de indeling kunnen controleren; de tekst is daarom kort.

Drosera miniata
Foto: Kevin Thiele from Perth, Australia — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons
Drosera miniata — de bloem
De bloem · Foto: Kevin Thiele from Perth, Australia — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

De soortnaam miniata betekent 'vermiljoenrood', naar het rode pigment menie; bij een zonnedauw verwijst zo'n naam doorgaans naar de bloemkleur, maar dat hebben we niet in een bron kunnen bevestigen. Als dwergzonnedauw vormt de plant een kleine rozet met in het hart een pluk witte of zilverige stipels, en aan het eind van het groeiseizoen broedknoppen (gemmae). Maten, bloemkleur en bloeitijd blijven leeg.

Gelijkende soorten

In het zuidwesten staan tientallen dwergzonnedauwen, en de oranje- en roodbloeiende soorten onder hen, zoals Drosera leucoblasta en D. hyperostigma, verschillen vooral in de vorm van kroonbladen en stempels en de kleur van helmdraden en stijlen. Zonder bloem en zonder de sleutel in Lowrie (2013) is een betrouwbare determinatie niet te verwachten.

De val en hoe hij werkt

Een actieve lijmval op miniatuurschaal. De bladschijfjes dragen gesteelde klieren met een kleverige druppel; lange randtentakels vangen de prooi en buigen haar naar het midden van het blad, waar kortere klieren de vertering overnemen. De prooi bestaat uit springstaarten, mijten en de kleinste vliegjes.

Standplaats en ecologie

Een gepubliceerde standplaatsbeschrijving hebben we niet kunnen inzien. De codes volgen het algemene beeld van Zuidwest-Australische dwergzonnedauwen, op open lateriet en zand tussen lage heide (D3, B5, D1), en zijn voorlopig. Zoals alle dwergzonnedauwen groeit de plant in de natte winter en rust hij in de droge zomer.

Verspreiding en hoogte

Endemisch voor Zuidwest-Australië. Een nauwkeuriger beschrijving van het areaal konden we niet controleren.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 7 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er zijn geen ondersoorten of variëteiten beschreven voor zover wij konden nagaan. Ongeslachtelijke vermeerdering met broedknoppen, die door regendruppels worden weggeschoten, zorgt bij dwergzonnedauwen vaak voor dichte groepjes genetisch identieke planten.

Waar en wanneer te zien

Dwergzonnedauwen bloeien in het Zuidwest-Australische voorjaar, en hun bloemen gaan alleen bij zon open. Ga op een heldere dag rond het middaguur, kniel bij open plekken in de heide en neem een loep mee voor de details van stijlen en stempels.

Staat van instandhouding

Op de wereldwijde Rode Lijst van de IUCN staat de soort als niet bedreigd (LC). In CITES is hij niet opgenomen. Onzekerheid: behalve naam, auteur, sectie en status konden we niets in een bron nalopen; morfologie, bloemkleur, standplaats en verspreiding blijven open tot de oorspronkelijke beschrijving of FloraBase is geraadpleegd.

Wetenschappelijke naam

Drosera miniata | Diels, 1904

Drosera miniata werd in 1904 beschreven door Ludwig Diels, in Botanische Jahrbücher für Systematik, deel 35, p. 206. Er kon geen betrouwbaar type-specimen met verzamelgegevens (locatie, verzamelaar, datum) worden teruggevonden; de soort komt endemisch voor in West-Australië, maar een precieze typelocatie kon niet met zekerheid worden achterhaald. De naam komt van het Latijnse miniatus, "met menie/cinnaber gekleurd", d.w.z. vermiljoenrood tot oranjerood — een beschrijvende naam, in overeenstemming met de gangbare Engelse naam "orange sundew".

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.