Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes bellii
Nepenthes bellii
Een kleine kannenplant van het laagland van noordoostelijk Mindanao en het eiland Dinagat, met bolle, dicht gefranjerde onderbekers aan uitzonderlijk lange ranken. Nepenthes bellii werd in 1969 beschreven door de Japanse botanicus Katsuhiko Kondo, in het Bulletin of the Torrey Botanical Club, op basis van een plant die hij in april 1968 samen met J. V. Pancho in de provincie Surigao had verzameld. De soort is vernoemd naar de Amerikaanse botanicus Clyde Ritchie Bell. Een paar jaar later beschreven Kurata en Toyoshima dezelfde plant nogmaals als Nepenthes globamphora, naar de bolronde bekers; die naam geldt nu als synoniem.



Herkenning
Een slanke klimplant van dertig centimeter tot tweeënhalve meter, soms langer, met stengels van 3 tot 5 mm dik. De bladeren zijn leerachtig, zittend en smal elliptisch, 8 tot 15 cm lang en slechts 1 tot 1,8 cm breed, met een spitse top; de bovenste bladeren zijn vaak roodachtig. De onderbekers zijn het opvallendst: eirond tot bijna bolrond, 4 tot 9 cm hoog en 3 tot 5 cm breed, met twee zeer dicht gefranjerde vleugels, waarvan de franjes tot bijna een centimeter lang zijn en vaak in groepjes staan. Ze hangen aan ranken die meer dan 30 cm lang kunnen worden. Het peristoom is half rond tot afgeplat, 5 tot 8 mm breed, met een fijn getande binnenrand. De bovenbekers zijn kleiner en trechtervormig, ongeveer 7,5 cm hoog, met gereduceerde of ontbrekende vleugels. De kleur is geelachtig of roodachtig met diffuse paarse vlekken en een geel peristoom.
Gelijkende soorten
De naaste verwanten zijn Nepenthes merrilliana en Nepenthes surigaoensis, die dezelfde bladvorm en roodachtige bovenste bladeren hebben, maar in alle delen veel groter zijn, vooral de bekers en bloeiwijzen. Door de bolle onderbekers met gefranjerde vleugels lijkt de soort ook op Nepenthes argentii van Sibuyan, maar die klimt niet en heeft een ander peristoom. Op de berg Hamiguitan in het zuidoosten van Mindanao werd een verwante plant lang als Nepenthes bellii gedetermineerd; die is in 2009 als Nepenthes micramphora beschreven en is in alle opzichten kleiner. De Flora Malesiana wijst op mogelijke verwantschap met de groep van de Insignes.
De val en hoe hij werkt
Een kleine val waarvan de onderbekers opvallend zijn uitgerust voor lopende prooi. De zeer dicht gefranjerde vleugels werken als ladders die kruipende dieren naar de mond leiden; het peristoom met getande binnenrand maakt terugklimmen lastig. Doordat de onderbekers aan zeer lange ranken hangen, kunnen ze ver van de plant op de grond of tussen strooisel liggen. De bovenbekers zijn trechtervormig en hebben weinig of geen vleugels; zoals bij het hele geslacht vangen ze vooral vliegende insecten. Onder het deksel liggen verspreide nectarklieren. Gericht prooionderzoek is in de geraadpleegde literatuur niet gevonden.
Standplaats en ecologie
Laaglandheidebos, blootgestelde kliffen en aardverschuivingen, gedrongen laag-montaan bos en verstoorde, secundaire vegetatie, waaronder uitgekapt dipterocarpenbos; de soort koloniseert ook vaak bosranden langs wegen (R3, B3, H1). De Flora Malesiana geeft een hoogte van 250 tot 800 m; andere bronnen noemen zeeniveau tot 800 m. De bekende vindplaatsen vallen ruwweg samen met ultramafische gebieden, met hun open, voedselarme vegetatie. De soort is duidelijk een pionier van open plekken, die van verstoring kan profiteren.
Verspreiding en hoogte
Endemisch in de Filipijnen: het noorden van Mindanao, met name de provincies Surigao del Norte en Surigao del Sur, en het eiland Dinagat, waar de soort algemeen is. Uit het zuiden van Mindanao is ze slecht gedocumenteerd, deels door de lang aanhoudende onrust in die regio. Onze eigen soortenlijst noemt 'Mindanao, Filipijnen'; dat klopt, maar Dinagat hoort er nadrukkelijk bij. Oudere opgaven van de berg Hamiguitan betreffen Nepenthes micramphora.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er zijn geen variëteiten of vormen beschreven. De soort groeit vaak samen met Nepenthes merrilliana en Nepenthes mindanaoensis en vormt met beide natuurlijke hybriden, maar die lijken zeldzaam; veldwaarnemingen wijzen erop dat de drie soorten in verschillende seizoenen bloeien. De kleur varieert: onderbekers zijn meestal groen, geel, oranje of soms rood met donkerder oranje tot paarse vlekken; bovenbekers zijn vaker effen groen, geel, oranje of rood, soms met een contrasterend peristoom.
Waar en wanneer te zien
Op Dinagat en in de Surigao-provincies is de soort plaatselijk algemeen en soms gewoon langs wegen te zien, in bosranden op ultramafische grond. Kijk niet alleen bij de plant zelf: volg de lange ranken, want de bolle onderbekers liggen vaak een flink eind van de stengel op de grond, tussen gras en strooisel. De dicht gefranjerde vleugels zijn van dichtbij het beste herkenningspunt. Waar de soort samen met Nepenthes merrilliana groeit, valt het grote verschil in bekergrootte direct op.
Staat van instandhouding
Op de Rode Lijst als niet in gevaar (Least Concern). De soort is wijdverbreid op Dinagat en in het noorden van Mindanao, met uitgestrekte bestanden, en verdraagt verstoorde vegetatie. Toch gaat laaglandhabitat verloren, vooral op Dinagat, waar mijnbouw op ultramafisch gesteente en ontbossing grote oppervlakken aantasten. Als lid van het geslacht Nepenthes staat de soort in CITES bijlage II, zodat internationale handel in wilde planten een vergunning vereist.
Wetenschappelijke naam
Nepenthes bellii | Kondo, 1969
Nepenthes bellii werd in 1969 beschreven door Katsuhiko Kondo, in Bulletin of the Torrey Botanical Club 96(6): 653-655. Het holotype (Kondo 11514) is op 14 april 1968 verzameld bij een "zwembad tussen Hayangobon en Carrascar" in de provincie Surigao, Mindanao, Filipijnen, op 800 m hoogte. Een natuurlijk zwembad tussen Hayangobon en Carrascar, provincie Surigao, Mindanao, op 800 m hoogte. De soortsnaam eert de Amerikaanse botanicus Clyde Ritchie Bell.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.