Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes faizaliana
Nepenthes faizaliana
Een bekerplant van de kalkbergen van Gunung Mulu in Sarawak, die vooral zijn bovenbekers laat zien: lange, smalle trechters van meer dan dertig centimeter, die van de kalkwanden en uit de bomen op de kammen hangen. Nepenthes faizaliana werd in 1991 door Adam en Wilcock beschreven en genoemd naar Muhammad Khairul Faizal. Jebb en Cheek brachten hem in 1997 onder bij N. stenophylla, maar Clarke hield hem als aparte soort aan, en die opvatting wordt sindsdien algemeen gevolgd.



Herkenning
Een klimplant met een stengel tot 8 mm dik en korte, cilindrische leden tot 3 cm. De bladeren zijn leerachtig en gesteeld, lancetvormig tot elliptisch, tot 14 cm lang en 4 cm breed, met een spitse top; de gootvormige, ongevleugelde bladsteel wordt tot 5 cm en omvat de stengel half. De ranken worden tot 20 cm. Stengel en bladstelen dragen witte stervormige haren, en aan de voet van de middennerf staan lange witte haren. De bovenbekers zijn smal trechtervormig en naar boven iets verwijd, meer dan 30 cm hoog, met richels in plaats van vleugels, een goed ontwikkelde waszone, een schuin geplaatste mond en een afgeplat peristoom van enkele millimeters. Het deksel is rond en draagt aan de onderkant een kenmerkende klierrijke kam. De onderbekers zijn kleiner, worden minder vaak gevormd en zijn formeel nooit beschreven; ze zijn onderaan bol.
Gelijkende soorten
De naaste verwant is Nepenthes boschiana, die kaal is waar N. faizaliana een duidelijke beharing heeft, en die verschilt in de bolheid van de onderbekervoet, de breedte van het peristoom en de mondbreedte van de bovenbekers. Van N. stenophylla, waarmee hij op de Mulu samen groeit, verschilt hij door meer lancetvormige bladeren, grotere bloeiwijzen, een breder en kleuriger, minder teruggerold peristoom, eenbloemige bloemsteeltjes met schutblaadjes, een anders gevormde klierkam en bolle onderbekervoeten. N. fusca heeft een zeer smal in plaats van rond deksel.
De val en hoe hij werkt
Een val die in de praktijk vooral uit bovenbekers bestaat. De lange, smalle trechters hebben een goed ontwikkelde waszone aan de binnenwand, een laag van losse wasschilfers waarop insecten geen grip vinden, zodat ze na het uitglijden op het peristoom niet meer omhoog kunnen. Het ronde deksel staat boven de mond en draagt onderaan een klierrijke kam, die nectar levert precies boven de opening. De onderbekers zijn zeldzaam en klein. Over de prooi is niets gepubliceerd.
Standplaats en ecologie
Kalksteen (R2): kalkwanden, kalkrotsen en de begroeide kammen van de kalkbergen, meestal tussen 1000 en 1600 m, plaatselijk vanaf 400 m. De plant groeit zowel op de grond als epifytisch, op rotsuitstulpingen en in de bomen van het lage, bemoste bos op de kammen (B1). Hij deelt zijn standplaats met N. stenophylla, N. tentaculata en N. vogelii. De scherpe kalkpieken van de Mulu, de beroemde Pinnacles, liggen in zijn gebied.
Verspreiding en hoogte
Endemisch op Borneo, en voor zover bekend beperkt tot de kalkbergen van het nationaal park Gunung Mulu in Sarawak, Maleisië. Het type werd in 1981 verzameld. Hoogte: meestal 1000 tot 1600 m, plaatselijk vanaf 400 m. De gebiedsaanduiding in onze soortenlijst (Gunung Mulu) klopt; strikt genomen gaat het om de kalkbergen in het park, zoals de Gunung Api, en niet om de zandsteentop van de Mulu zelf.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er zijn geen variëteiten of vormen beschreven. De soort is lang met N. stenophylla verward, en materiaal uit de literatuur van vóór 1997 moet daarom met zorg worden gelezen. Er is één vermoedelijke natuurlijke hybride gemeld, met N. veitchii. Omdat de onderbekers nooit formeel zijn beschreven, is de beschrijving van de soort nog onvolledig; ook de vrouwelijke bloemen zijn formeel niet beschreven.
Waar en wanneer te zien
Het bekendste punt om de soort te zien is het pad naar de Pinnacles op de Gunung Api in het nationaal park Gunung Mulu: een steile, zware klim van een dag die alleen met parkgids en na reservering mag worden gemaakt. Op de kalkrotsen en in de bomen langs het hogere deel van het pad hangen de lange, smalle bovenbekers. Het pad loopt over scherpe kalk met ladders en touwen; goede schoenen en handschoenen zijn nodig. Raak de planten niet aan en blijf op het pad.
Staat van instandhouding
Op de Rode Lijst staat de soort als niet in gevaar (Least Concern). Het hele bekende areaal ligt binnen het nationaal park Gunung Mulu, dat ook werelderfgoed is, en de kalkwanden zijn grotendeels ontoegankelijk. De beperking tot één gebied maakt de soort wel gevoelig voor veranderingen daar, zoals droogte of brand. Hij staat, zoals het hele geslacht, in CITES bijlage II.
Wetenschappelijke naam
Nepenthes faizaliana | Adam & Wilcock, 1991
Nepenthes faizaliana werd in 1991 beschreven door J.H. Adam en C.C. Wilcock, in Blumea. Het holotype werd op 10 november 1981 verzameld bij Batu Panjang in het Gunung Mulu National Park, Sarawak, Borneo, en ligt in het herbarium van de Sarawak Forest Department in Kuching; isotypen bevinden zich in Kew en Leiden. Batu Panjang in het Gunung Mulu National Park, Sarawak, Borneo. De soort is vernoemd naar Muhammad Khairul Faizal, de zoon van beschrijvend auteur J.H. Adam.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.