Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes distillatoria
Nepenthes distillatoria
Dit is de soort waarop het geslacht rust. Toen Linnaeus in 1753 de naam Nepenthes vastlegde, was Nepenthes distillatoria de enige soort die hij noemde, en daarmee is hij de typesoort van het hele geslacht. Linnaeus kende de plant niet uit het veld maar uit boeken: al in de zeventiende eeuw hadden Europese geleerden de Sri Lankaanse bekerplant beschreven en afgebeeld, onder namen als ‘wonderlijke destilleerplant’. Men dacht dat de vloeistof in de bekers door de plant werd gedistilleerd — vandaar de soortnaam. Op Sri Lanka heet de plant bandura, een naam die al in die vroege Europese bronnen opduikt.




Herkenning
Een flink uit de kluiten gewassen klimmer met vertakte stengels tot negen meter lang, die klauterend over omringende struiken groeien. De bladschijf is tot 30 cm lang en 6 cm breed en loopt over in een gevleugelde bladsteel tot 8 cm lang en 2 cm breed. De onderbekers zijn tot 14 cm hoog en 5 cm breed, met aan de voorzijde twee opvallend brede vleugels, tot 22 mm, die al dan niet met lange draden, tot 18 mm, zijn gefranjerd. De bovenbekers zijn slanker en langer, tot 18 cm hoog en 4 cm breed, met de vleugels teruggebracht tot smalle richels. De kleur loopt van groen tot geelgroen, vaak met rode of roodbruine vlekken en een rood peristoom; in de volle zon zijn de bekers roder. Een plant in bloei draagt een pluimvormige bloeiwijze met ver uiteen staande deelbloeistelen die elk drie tot vijf bloemen dragen.
Gelijkende soorten
Op Sri Lanka is verwarring uitgesloten: het is de enige Nepenthes van het eiland, en de dichtstbijzijnde andere soort, Nepenthes khasiana in Noordoost-India, staat ruim tweeduizend kilometer verder. Buiten Sri Lanka lijkt hij in herbariummateriaal op verschillende laaglandsoorten uit Zuidoost-Azië met gevleugelde bladstelen en groene, rood gevlekte bekers. Het beste kenmerk is dan de combinatie van de brede, soms lang gefranjerde vleugels van de onderbekers en de bloeiwijze met meerbloemige deelbloeistelen. In de kweek gaan onder deze naam soms hybriden rond; die zijn voor het veld niet van belang.
De val en hoe hij werkt
Een bekerval zoals bij de meeste soorten van het geslacht, met een rolvormig peristoom tot 5 mm breed waarvan de ribben tot een halve millimeter hoog zijn. Het deksel is tot 4,5 cm lang en 5 cm breed, met een onvertakt spoor tot 6 mm. Nectar op het peristoom en het deksel trekt insecten; als het peristoom nat is, glijden ze over de ribben naar binnen. In de bekervloeistof zijn verschillende verteringsenzymen aangetoond: eiwitsplitsende aspartaatproteasen van het type dat naar het geslacht nepenthesine heet, maar ook fosfatase, lipase en glycosidasen. De vloeistof is ook een leefgebied: de mijt Anoetus guentheri is uit de bekers van deze soort bekend. De vleugels van de onderbekers dienen, zoals bij verwante soorten, als looproute voor mieren en ander kruipend gedierte.
Standplaats en ecologie
Een soort van natte, open en vaak verstoorde plekken: doorweekt open struikgewas, taluds langs wegen en andere gekapte of vrijgemaakte terreinen, maar ook bos (W6, B5, H1). Hij staat van zeeniveau tot ongeveer 700 m, in het natte zuidwesten van Sri Lanka waar het jaarrond regent. Dat hij het goed doet op wegbermen en in gekapt terrein, zegt iets over zijn eisen: veel licht, een bodem die nat en voedselarm blijft, en weinig concurrentie van hogere vegetatie. In gesloten bos blijft hij beperkt tot de randen en open plekken, waar hij langs de struiken omhoog klimt.
Verspreiding en hoogte
Endemisch op Sri Lanka, en daar beperkt tot de natte zone in het zuidwesten van het eiland, van zeeniveau tot ongeveer 700 m. Het is een van de geografische buitenbeentjes van het geslacht: net als de soorten van Madagaskar en de Seychellen staat hij ver van het zwaartepunt in de Maleisische archipel. Door die isolatie zijn er ook geen natuurlijke hybriden. Omdat de soort al in de zeventiende eeuw via Nederlandse contacten met Ceylon in Europa bekend werd, is hij een van de best gedocumenteerde bekerplanten in de oude botanische literatuur.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
In het verleden zijn enkele variëteiten en vormen van deze soort beschreven, maar geen daarvan wordt nu als geldig beschouwd; de soort wordt als één variabel geheel behandeld. De variatie die je in het veld ziet, zit vooral in de kleur — van vrijwel effen groen tot zwaar rood gevlekt, afhankelijk van licht en plant — en in de breedte en franjering van de vleugels van de onderbekers. Natuurlijke hybriden zijn niet bekend, omdat er op Sri Lanka geen andere soort voorkomt.
Waar en wanneer te zien
Zoek in het natte zuidwesten van Sri Lanka, in het laagland en de lage heuvels onder 700 m. Juist omdat de soort graag op verstoorde plekken groeit, zijn wegtaluds en open plekken langs bosranden vaak de beste plaatsen; let op groene tot roodgevlekte bekers die tussen varens en lage struiken hangen. De regenseizoenen van de zuidwestmoesson (ongeveer mei tot september) en van oktober–november maken het terrein nat en de bekers vol; in de tussenliggende maanden is reizen gemakkelijker. Beschermde gebieden in het regenwoud van het zuidwesten bieden de meest natuurlijke standplaatsen.
Staat van instandhouding
Op de Rode Lijst staat de soort als kwetsbaar (Vulnerable). Het verspreidingsgebied is beperkt tot een deel van één eiland, en juist in het natte zuidwesten is de druk op het land groot: omzetting naar thee-, rubber- en andere plantages, bebouwing en wegenaanleg. Dat de soort zich op wegbermen en in gekapt terrein kan handhaven, maakt hem minder kwetsbaar dan strikt aan bos gebonden soorten, maar zulke standplaatsen zijn ook onstabiel. Verzamelen voor de handel speelt een rol; als lid van het geslacht staat hij in CITES bijlage II, zodat internationale handel in wilde planten een vergunning vereist.
Wetenschappelijke naam
Nepenthes distillatoria | Linnaeus, 1753
Nepenthes distillatoria werd al in 1753 door Carl Linnaeus beschreven — de allereerste formeel beschreven soort van het geslacht, dat Linnaeus zelf in 1737 had benoemd. Eerdere natuuronderzoekers hadden de plant al onder andere namen gedocumenteerd, zoals "Miranda herba" (1677) en "Planta mirabilis destillatoria" (1683). Sri Lanka, waar deze soort de enige inheemse Nepenthes van het eiland is; ze komt voor van zeeniveau tot 700 m, in uiteenlopende habitats van drassig open struikgewas tot bos. De naam is Neolatijn, samengesteld uit het Latijnse werkwoord "destillo" ("distilleren") en het achtervoegsel "-oria", en betekent letterlijk "iets waaruit vloeistof wordt gedistilleerd" — een verwijzing naar de bekervormige structuur van de plant.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.