Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes pervillei

Nepenthes pervillei

Wie de verspreidingskaart van Nepenthes bekijkt, ziet een dichte wolk van soorten tussen Sumatra en Nieuw-Guinea en daarbuiten een paar losse punten. Het verste daarvan ligt midden in de Indische Oceaan: de granieten eilanden van de Seychellen, waar Nepenthes pervillei de enige bekerplant is. Het is niet alleen geografisch een buitenbeentje. In stamboomonderzoek op basis van DNA staat deze soort aan de basis van het geslacht, als de tak die zich het vroegst van alle andere heeft afgesplitst — en zijn zaden zijn zo afwijkend dat hij een tijd lang in een eigen geslacht is geplaatst.

Nepenthes pervillei
Foto: Urs Zimmermann, Switzerland ( www.nepenthes.ch ) — CC BY 3.0 · Wikimedia Commons
Nepenthes pervillei — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: Urs Zimmermann, Switzerland ( www.nepenthes.ch ) — CC BY 3.0 · Wikimedia Commons
Nepenthes pervillei — de bloem
De bloem · Foto: Urs Zimmermann, Switzerland ( www.nepenthes.ch ) — CC BY 3.0 · Wikimedia Commons
Nepenthes pervillei — de standplaats
De standplaats · Foto: Urs Zimmermann, Switzerland ( www.nepenthes.ch ) — CC BY 3.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een klimmende en klauterende plant met stengels tot acht meter lang. Jonge planten vormen eerst een compacte rozet; volwassen planten sturen klimstengels de struiken in en vormen daar kleine rozetten in de lucht, waaraan de bovenbekers hangen. De bladeren zijn elliptisch tot langwerpig, tot 29 cm lang en 6 cm breed, met een ronde tot stompe top, glanzend donker- of heldergroen, met een gele tot oranje middennerf en rank. De onderbekers worden tot 12 cm hoog en 4 cm breed, zijn onderaan eirond gezwollen en versmallen naar de mond; langs de voorzijde lopen twee vleugels tot 8 mm breed met draden tot 4 mm. Ze zijn van buiten roodoranje tot paars. De bovenbekers zijn slanker, tot 16 cm lang en 4,5 cm breed, meestal geel tot geelgroen en met de leeftijd oranje of rood overlopen. Ze hangen aan korte, stijve ranken die zich niet oprollen — een ongewoon kenmerk, want bij de meeste soorten winden de ranken van bovenbekers zich om een steun.

Gelijkende soorten

Op de Seychellen is er niets om hem mee te verwarren: het is de enige soort van het geslacht op de eilandengroep, en de dichtstbijzijnde andere Nepenthes staan op Madagaskar, ruim duizend kilometer zuidwestelijker. Wie hem naast de twee Madagaskische soorten legt, ziet het verschil vooral in de bovenbekers: bij N. pervillei hangen ze aan korte, rechte ranken en is het peristoom smal, tot 3 mm. In de kweek is het zaad het beste kenmerk: het is zwart, eivormig tot afgeknot, slechts 2 tot 4 mm lang en mist de lange draadvormige uiteinden die zaad van andere soorten zo licht maken.

De val en hoe hij werkt

Een klassieke valkuil met een smal, glanzend peristoom. Bij de onderbekers is het peristoom tot 6 mm breed en fijn geribd; het deksel is vrijwel rond en plat, tot 5,5 cm in doorsnee, met aan de onderzijde dertig tot honderd nectarklieren. Het spoor achter het deksel is tot 7 mm lang en meestal gevorkt. De bovenbekers hebben een smaller peristoom, tot 3 mm, maar een deksel dat gelijkmatig bezet is met honderd tot tweehonderd nectarklieren; onderin liggen de verteringsklieren in een dichtheid van vier- tot zeshonderd per vierkante centimeter. Lopende prooi komt via de vleugels van de onderbekers bij de mond, vliegende insecten worden door nectar en kleur naar de bovenbekers gelokt. De bekervloeistof herbergt een eigen gemeenschap; zo is de mijt Creutzeria seychellensis naar deze plant beschreven.

Standplaats en ecologie

Rotsige plekken bij de granieten toppen van de Seychellen: lage, dichte struikvegetatie op granietplaten en berghellingen, meestal in fel of direct zonlicht (R1, R4). De wortels dringen in spleten in het gesteente, waar zich wat humus en vocht verzamelt; op de kale platen zelf loopt het regenwater af en is er nauwelijks bodem. Het is een van de meest aparte standplaatsen van het geslacht: geen veen of moerasbos, maar de hellingen en koppen van oude granieten inselbergs, waar de plant tussen lage struiken en varens in de wind staat. De soort groeit van ongeveer 350 tot 750 m hoogte.

Verspreiding en hoogte

Endemisch op de Seychellen, en daar alleen bekend van de twee hoogste granieten eilanden, Mahé en Silhouette. Op beide eilanden is hij beperkt tot de hogere delen, tussen ongeveer 350 en 750 m. Hoe een bekerplant hier terecht is gekomen, is een van de open vragen van het geslacht; omdat het zaad geen vliegdraden heeft, is transport door de wind over zee minder voor de hand liggend dan bij andere soorten. De afwijkende positie in de stamboom maakt de Seychelse populaties belangrijk voor wie de vroege geschiedenis van het geslacht wil begrijpen.

  • Inheems
Verspreiding per regio van het TDWG-schema (World Geographical Scheme for Recording Plant Distributions), uit de World Checklist of Vascular Plants — de gegevensbasis achter Plants of the World Online. De kaart toont alleen het natuurlijke areaal; waar de soort is ingeburgerd staat in de tekst. Binnen een regio zegt de kaart niets over waar de plant precies staat; bij bedreigde soorten is dat ook de bedoeling. Contouren: tdwg/wgsrpd. Voor deze soort zijn nog geen GBIF-waarnemingen opgehaald; zodra dat gebeurt vervangt die precisere laag deze regio-kaart.

Vormen en variatie

Er worden geen variëteiten of vormen in het wild onderscheiden. Taxonomisch heeft de soort wel een eigen geschiedenis: Blume beschreef hem in de negentiende eeuw als Nepenthes pervillei, genoemd naar de Franse verzamelaar Auguste Pervillé; later werd hij vanwege het zaad zonder staartjes in een eigen geslacht Anurosperma geplaatst, letterlijk ‘zaad zonder staart’. Dat geslacht wordt tegenwoordig niet meer gebruikt en de soort staat weer in Nepenthes. De kleur van de bekers varieert met licht en leeftijd, van geelgroen tot diep oranjerood. Natuurlijke hybriden zijn onmogelijk: er is geen andere soort om mee te kruisen.

Waar en wanneer te zien

Mahé is het meest toegankelijke eiland: het nationale park in het bergachtige binnenland heeft wandelpaden die over de granieten ruggen naar de hogere delen lopen, en langs de open, rotsige stukken boven ongeveer 400 m is de kans het grootst. Kijk naar de lage struiklaag op granietplaten in de volle zon; de gele tot oranjerode bovenbekers vallen daar goed op. Blijf op de paden: de vegetatie op de kale rots is kwetsbaar en groeit traag terug. Silhouette is lastiger te bereiken en grotendeels beschermd gebied.

Staat van instandhouding

Op de Rode Lijst staat de soort als niet in gevaar (Least Concern), maar de aantallen zijn bescheiden: een telling uit 2015 kwam op minder dan duizend planten op de Seychellen. Een groot deel van de standplaatsen ligt in beschermd gebied in de bergen van Mahé en op Silhouette, en de rotsige toppen zijn voor landbouw of bebouwing weinig aantrekkelijk. Als lid van het geslacht Nepenthes staat hij in CITES bijlage II; internationale handel in wilde planten vereist een vergunning. Risico’s zijn vooral lokaal: uitheemse planten die de open granietvegetatie overwoekeren, brand, en betreding bij populaire uitzichtpunten.

Wetenschappelijke naam

Nepenthes pervillei | Blume, 1852

Nepenthes pervillei werd in 1852 beschreven door Carl Ludwig von Blume, in Museum Botanicum Lugduno-Batavum. De Seychellen-eilanden Mahé en Silhouette, in rotsachtige gebieden nabij de toppen van granietbergen, op 350-750 m hoogte; een preciezere typelocatie kon niet worden vastgesteld. De soort is vernoemd naar de Franse plantenverzamelaar Auguste Pervillé.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.