Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes madagascariensis

Nepenthes madagascariensis

Het geslacht Nepenthes heeft zijn zwaartepunt op Borneo en Sumatra, maar de wetenschappelijke geschiedenis ervan begint hier: de allereerste bekerplant die in de westerse literatuur werd beschreven, was een plant van Madagaskar, opgetekend door de Franse gouverneur Étienne de Flacourt in 1658. Nepenthes madagascariensis is bovendien een uitzondering in de verspreiding van het geslacht — hij staat vijfduizend kilometer van zijn naaste verwanten in Zuidoost-Azië, in het natte laagland van de oostkust, en deelt het eiland met slechts één andere soort.

Nepenthes madagascariensis
Foto: Smiley.toerist — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Nepenthes madagascariensis — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: Katja Rembold — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Nepenthes madagascariensis — de bloem
De bloem · Foto: Katja Rembold — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Nepenthes madagascariensis — de standplaats
De standplaats · Foto: Diorit — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een plant die in twee gedaanten voorkomt, en dat maakt het herkennen in het veld lastiger dan het lijkt. Jonge en niet-klimmende planten vormen een dichte pol met een rechtopstaande stengel tot ongeveer 1,5 m; oudere planten sturen een klimmende stengel de omringende struiken in, tot negen meter lang. De bladeren zijn lijnvormig tot elliptisch, tot 28 cm lang en 8 cm breed, met vier tot zeven nerven die evenwijdig aan de bladrand lopen, en met een gevleugelde bladsteel die de stengel halverwege omvat. Uit de bladtop loopt een rank die in een beker eindigt. De onderbekers zijn eirond, onderaan gezwollen en naar de mond toe cilindrisch versmald, tot 14 cm hoog, met aan de voorzijde twee gefranjerde vleugels; ze zijn roodroze tot roodpaars. De bovenbekers zijn geheel smal trechtervormig, tot 18 cm hoog en 7 cm breed, en meestal effen helder geel, soms met een rood deksel en een oranjerood peristoom.

Gelijkende soorten

Op Madagaskar is er maar één andere soort van het geslacht, Nepenthes masoalensis, die beperkt is tot het schiereiland Masoala in het noordoosten. Die soort heeft bredere, duidelijk gesteelde bladeren en bekers met een veel breder, meer uitstaand peristoom. Buiten het overlapgebied is er op het eiland dus niets waarmee verwarring mogelijk is. De aanwezigheid van twee zo verschillende bekervormen aan één plant is voor het geslacht normaal en hier geen aanwijzing voor twee soorten.

De val en hoe hij werkt

Een bekerval die zich in de loop van het leven van de plant van functie verandert. De onderbekers staan op of vlak boven de grond, hebben twee gefranjerde vleugels langs de voorzijde die als looprichel werken, en vangen vooral lopend gedierte: mieren, kevers, duizendpoten. De bovenbekers hangen vrij in de lucht, hebben geen vleugels meer maar een smalle richel, en vangen vliegende insecten. In beide gevallen ligt het lokmiddel op het peristoom, de geribbelde ring om de mond: daar zitten nectarklieren, en de ribben — hier tot 0,4 mm hoog en een halve millimeter uit elkaar — worden glad als een waterfilm zich erover legt, zodat een insect dat erop loopt zijn grip in één stap verliest. Ook het deksel draagt nectarklieren, bij de bovenbekers honderd tot tweehonderd stuks. Binnenin lopen net onder het peristoom korte, naar boven gerichte haren en een smalle zone van vertakte haartjes; onderin staat een vloeistof met verteringsenzymen. De vloeistof is bij deze soort onderzocht op prooisamenstelling: mieren vormen veruit het grootste deel.

Standplaats en ecologie

Laagland dat het hele jaar nat blijft: de randen van moerassen, veenachtige en zandige bodems langs stilstaand water, en open, zure heideachtige vegetatie op zand aan de kust (W2, D1). De plant verdraagt volle zon en staat vaak in vegetatie die regelmatig brandt; de ondergrondse delen lopen na brand weer uit, en juist op zulke open, verarmde plekken heeft hij het minst concurrentie. Schaduwrijk bos is niet zijn plek — daar klimt hij hooguit langs de rand. Kenmerkend voor de standplaats is dat de bodem tegelijk doorweekt en uiterst voedselarm is: het water is zuur, spoelt stikstof weg, en wat de plant nodig heeft moet dus uit de lucht komen.

Verspreiding en hoogte

Endemisch op Madagaskar, en daar beperkt tot de oostelijke helft: van het uiterste zuidoosten rond Fort-Dauphin, waar hij het algemeenst is, langs de oostkust noordwaarts tot aan het schiereiland Masoala. Het is de enige Nepenthes van het westelijke deel van het verspreidingsgebied van het geslacht op één na, en hoe de voorouders van de Madagaskische soorten vanuit Azië hier zijn gekomen, is een open vraag — de meest gangbare verklaring is verspreiding over lange afstand via zeer licht zaad. De soort blijft in het laagland; er is voor deze gids geen betrouwbaar gepubliceerde hoogtegrens gevonden, zodat het hoogteveld leeg blijft.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 13 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er worden geen variëteiten of kleurvormen in het wild onderscheiden, en de soort is over zijn hele areaal vrij eenvormig. Het opvallendste kleurverschil zit niet tussen planten maar binnen één plant: de onderbekers zijn roodroze tot roodpaars, de bovenbekers meestal effen helder geel, en dat verschil wordt gemakkelijk voor variatie tussen individuen aangezien. Daarnaast is er de gewone gradient tussen planten in volle zon, die roder en gedrongener zijn, en planten in de luwte. Natuurlijke hybriden zijn van Madagaskar niet bekend; dat ligt voor de hand, want de enige andere soort op het eiland komt in een beperkt en grotendeels gescheiden gebied voor.

Waar en wanneer te zien

De streek rond Fort-Dauphin in het zuidoosten is de gemakkelijkste plek: daar staat de soort langs waterkanten en op open zandvlakten binnen bereik van de weg, en hij is er plaatselijk talrijk. Loop langs de rand van moerassen en kijk naar beneden voordat je omhoog kijkt — bij niet-klimmende planten liggen de onderbekers in de strooisellaag en zie je van bovenaf alleen een pol smalle bladeren. Klimmende planten verraden zich juist door de gele trechters die vrij in de struiken hangen, vaak op ooghoogte. Het regenseizoen aan de oostkust loopt van november tot maart; de maanden daarna zijn praktischer en de bekers zijn dan volgroeid.

Staat van instandhouding

Op de Rode Lijst staat de soort als niet in gevaar (Least Concern): het verspreidingsgebied langs de oostkust is lang, de plant is er plaatselijk talrijk, en hij houdt stand op open en zelfs verstoorde terreinen waar de oorspronkelijke vegetatie verdwenen is. Als lid van het geslacht Nepenthes staat hij wel in CITES bijlage II, zodat internationale handel in wilde planten een vergunning vereist; de handel steunt in de praktijk vrijwel geheel op kweekmateriaal. De risico's die genoemd worden, gelden het laagland van Madagaskar als geheel: ontwatering van kustmoerassen voor landbouw, mijnbouw op de zware mineralenzanden van de zuidoostkust, en verandering van het brandregime.

Wetenschappelijke naam

Nepenthes madagascariensis | Poiret, 1797

Nepenthes madagascariensis werd in 1797 beschreven door Jean Louis Marie Poiret — de eerste Nepenthes-soort die wetenschappelijk werd beschreven. Étienne de Flacourt had de plant al in 1658 gedocumenteerd onder de voor-Linneaanse naam "Amramatico", in zijn werk Histoire de la Grande Isle de Madagascar. De oostkust van Madagaskar, waar de soort het meest algemeen is in het zuiden, rond Tôlanaro, met vindplaatsen tot aan het Masoala-schiereiland in het noorden; de precieze typelocatie kon niet met zekerheid worden vastgesteld. De soortsnaam verwijst naar Madagaskar, het eiland waar de soort inheems is.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.