Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes edwardsiana
Nepenthes edwardsiana
Een van de drie klassieke bekerplanten van de Kinabalu, in 1858 door Hugh Low en Spenser St. John verzameld en een jaar later door Hooker beschreven, genoemd naar George Edwardes, destijds gouverneur van Labuan. Nepenthes edwardsiana heeft misschien het meest sierlijke peristoom van het hele geslacht: een cilindrische kraag van ribben die in lange, gebogen tanden uitlopen, als de lamellen van een kraag. De bekers zijn lang, onderaan bolvormig en daarboven cilindrisch, en kunnen uitzonderlijk meer dan een halve meter hoog worden.

Herkenning
Een klimplant met stengels tot 15 m lang en 10 mm dik, met ronde leden tot 35 cm. De bladeren zijn leerachtig en gesteeld; de bladschijf is echt lancetvormig, tot 30 cm lang en 7 cm breed, en de gootvormige, gevleugelde bladsteel tot 15 cm omvat de stengel voor twee derde tot drie kwart. De rank is een tot twee keer zo lang als de bladschijf, tot 35 cm. De onderbekers zijn onderaan bolvormig tot eivormig en daarboven cilindrisch, meestal ongeveer 30 cm hoog en uitzonderlijk meer dan 50 cm. Het peristoom is cilindrisch, tot 30 mm breed, met sterk ontwikkelde ribben en tanden. Het deksel is hartvormig, tot 8 cm breed, zonder aanhangsels, met een ongedeeld spoor tot 20 mm. De bovenbekers zijn geheel cilindrisch en op dezelfde manier gekleurd: van buiten lichtgeel tot donkerrood, van binnen meestal wit. De plant is bedekt met zeer korte, onopvallende haren.
Gelijkende soorten
Het meest verwant zijn Nepenthes villosa, eveneens van de Kinabalu, en N. macrophylla van de berg Trusmadi. N. villosa heeft een nog ingewikkelder peristoom, bekers die boven de heup niet verlengd zijn, een uitgerande bladtop, een dichte beharing en schutblaadjes aan de bloemsteeltjes, en groeit hoger, van 2300 tot ruim 3200 m. N. macrophylla heeft veel kortere ribben en tanden, een geleidelijk oplopende mond zonder hals, een breder eirond deksel, meer eivormige bovenbekers en twee keer zo grote bladeren; hij komt niet in het Kinabalu-gebied voor. Op de Kinabalu zelf is de lange, cilindrische beker met sierlijke kraag onmiskenbaar.
De val en hoe hij werkt
Het peristoom is het verhaal van deze soort. De ribben zijn tot 2 cm hoog en lopen aan de binnenrand uit in lange tanden die over de mond hangen: een insect dat over de natte ribben naar binnen glijdt, heeft aan de binnenkant geen houvast en valt recht de lange cilinder in. De bekers zijn zo lang dat een gevallen insect nauwelijks kan ontsnappen; de verteringsklieren liggen onderin, in het bolvormige deel. Het deksel heeft geen aanhangsels. Omdat onder- en bovenbekers in vorm weinig verschillen, is de functie van beide vergelijkbaar, maar de bovenbekers hangen vrij in het mosbos en vangen vooral vliegende insecten.
Standplaats en ecologie
Kamvegetatie in dicht, bemost nevelwoud, tussen 1500 en 2700 m (B1). De plant leeft vooral als epifyt, maar ook op de grond op bemoste rotsen. Hij groeit meestal op ultramafische bodem (R3), maar is ook van zandsteen bekend. Het bos is voortdurend vochtig en ligt vaak in de wolken. Anders dan N. burbidgeae, die open struweel zoekt, staat N. edwardsiana in het gesloten mosbos, waar zijn bekers tussen de bemoste takken hangen.
Verspreiding en hoogte
Endemisch op Borneo, en daar beperkt tot de Kinabalu en de naburige berg Tambuyukon in Sabah, Maleisië. Hoogte: 1500 tot 2700 m. De gebiedsaanduiding in onze soortenlijst (Kinabalu) klopt, maar is iets te krap: ook de Tambuyukon hoort erbij. De wereldchecklist noemt Borneo.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er zijn geen variëteiten beschreven; de soort varieert weinig over zijn kleine areaal. De kleur van de bekers loopt van lichtgeel tot donkerrood. Er zijn drie natuurlijke hybriden bekend: met N. burbidgeae, met N. rajah, en met N. villosa. Die laatste werd in 1882 als soort beschreven, als N. ×harryana, en pas in 1908 als hybride herkend. Taxonomisch heeft de soort een wisselende geschiedenis: hij werd twee keer bij N. villosa ingedeeld en is sinds 1936 weer zelfstandig.
Waar en wanneer te zien
De soort is te zien in het nationaal park Kinabalu, op de bemoste kammen boven ongeveer 1500 m, altijd onder begeleiding van een parkgids en op de officiële paden. Omdat hij epifytisch leeft, hangen de bekers vaak boven ooghoogte; zoek naar lange, rode tot gele cilinders tussen het mos. Een verrekijker helpt om het peristoom te bekijken zonder de plant aan te raken. In het park geldt een strikt verbod op het verzamelen van planten.
Staat van instandhouding
Op de Rode Lijst staat de soort als kwetsbaar (Vulnerable). Clarke stelde voor hem als afhankelijk van bescherming te beschouwen: alle populaties liggen in het nationaal park Kinabalu en zijn voor verzamelaars moeilijk bereikbaar. Het kleine areaal, beperkt tot twee bergen, maakt hem gevoelig voor veranderingen in het klimaat van het nevelwoud en voor branden in droge jaren. De soort staat in CITES bijlage II.
Wetenschappelijke naam
Nepenthes edwardsiana | Low ex J.D. Hooker, 1851
Nepenthes edwardsiana werd in 1859 beschreven door Joseph Dalton Hooker, in The Transactions of the Linnean Society of London 22(4): 415-424, met een begeleidende illustratie. Het typemateriaal (Low s.n.) werd in 1858 verzameld door Hugh Low en Spenser St. John op de noordzijde van de berg Kinabalu, op 1800-2400 m hoogte, en ligt in de Royal Botanic Gardens, Kew. De noordzijde van de berg Kinabalu, Borneo, op ongeveer 1800-2400 m hoogte (in de oorspronkelijke publicatie aangeduid als "6000-8000 voet"). Hooker vernoemde de soort naar George Edwardes, gouverneur van de kroonkolonie Labuan, op verzoek van diens vriend Hugh Low.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.