Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes burbidgeae

Nepenthes burbidgeae

De 'porseleinen' bekerplant van het Kinabalu-gebied in Sabah. Toen Frederick Burbidge de soort in 1878 op de berg verzamelde, beschreef hij de bekers als zuiver wit, halfdoorschijnend als eierschaal, met karmijn- of bloedrode vlekken; Hooker noemde de soort naar Burbidges vrouw. Nepenthes burbidgeae is een van de drie klassieke bekerplanten van Kinabalu, naast N. rajah en N. edwardsiana, en de ouder van de beroemde natuurlijke hybride N. ×alisaputrana. Hij groeit uitsluitend op ultramafische grond.

Nepenthes burbidgeae
Foto: JeremiahsCPs — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Nepenthes burbidgeae — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: JeremiahsCPs — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Nepenthes burbidgeae — de standplaats
De standplaats · Foto: JeremiahsCPs — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een krachtige klimmer die snel het klimstadium bereikt, met stengels tot 15 m lang en 18 mm dik en leden tot 12 cm. De bladeren zijn leerachtig en gesteeld; de bladschijf is langwerpig, tot 40 cm lang en 10 cm breed, met een spitse top, en de gevleugelde bladsteel tot 15 cm loopt vaak als twee smalle vleugels langs de stengel af. De rank wordt tot 30 cm. De onderbekers zijn rond-trechtervormig tot kegelvormig, zonder duidelijke insnoering, tot 25 cm hoog en 10 cm breed, met gefranjerde vleugels tot 10 mm. Het peristoom is afgeplat en verbreed, tot 30 mm, met kleine tanden. Het eironde deksel, tot 8 cm breed, heeft een duidelijke kiel en onderaan een gehaakt aanhangsel. De bovenbekers zijn kleiner, tot 13 cm hoog en 7 cm breed, in het onderste derde trechtervormig en daarboven bolrond, met twee richels.

Gelijkende soorten

Het gehaakte aanhangsel onder het deksel, samen met de bekervorm en de porseleinwitte kleur met rode vlekken, maakt de soort goed herkenbaar. Op Borneo hebben alleen N. chaniana en N. pilosa een vergelijkbaar aanhangsel; Danser beschouwde N. pilosa als de naaste verwant. De bovenbekers van N. burbidgeae zijn kort en trechtervormig, die van N. chaniana langgerekt en dicht wit behaard. Op dezelfde hellingen kan de hybride N. ×alisaputrana staan: die heeft veel grotere bekers, tot 35 cm hoog, geelgroen met rode vlekken en een paars gestreept peristoom.

De val en hoe hij werkt

Een valkuil met een brede, afgeplatte mondrand. Het peristoom, tot 3 cm breed, vormt een ruim glad platform met kleine tanden aan de binnenrand, waarop nectar lokt; ongeveer de helft van het oppervlak ligt aan de binnenkant van de mond. Het deksel staat open boven de beker en draagt onderaan een gehaakt aanhangsel. Binnenin is de onderste helft bekleed met kleine, overwelfde verteringsklieren. De lichte, bijna doorschijnende kleur van de bekers, met rode vlekken, valt op tegen het donkere mos en kan insecten aantrekken. Over de samenstelling van de prooi is voor deze soort weinig gepubliceerd.

Standplaats en ecologie

Bemost bergbos en laag struweel op steile kammen, uitsluitend op ultramafische bodem (R3, B1). Die bodem, rijk aan magnesium, nikkel en chroom en arm aan de gewone voedingsstoffen, houdt de vegetatie laag en open, en de soort groeit er in het struweel en aan bosranden. De gebruikelijke hoogte is 1200 tot 1800 m; sommige bronnen geven een ondergrens van 1100 m en een bovengrens tot boven 2200 m. Op zijn standplaatsen deelt hij de bodem met N. rajah en N. tentaculata.

Verspreiding en hoogte

Endemisch op Borneo, en daar beperkt tot het gebied van Kinabalu in Sabah, Maleisië: de hellingen van de Kinabalu zelf en van de naburige berg Tambuyukon, vrijwel alles binnen het nationaal park. De verspreiding is fragmentarisch, gebonden aan ultramafische ontsluitingen. Omdat de soort als bedreigd te boek staat, noemt deze gids geen precieze vindplaatsen. De wereldchecklist bevat voor deze naam geen verspreidingsgegevens; de gebiedsaanduiding volgt Clarke (1997).

Vormen en variatie

Er zijn geen variëteiten beschreven; de soort varieert weinig. Er zijn vier natuurlijke hybriden bekend: met N. edwardsiana, N. fusca en N. tentaculata, die weinig aandacht hebben gekregen, en met N. rajah, de beroemde N. ×alisaputrana. De spelling N. burbidgei, die in Burbidges eigen artikelen van 1894 en 1896 opdook en daarna lang is overgenomen, is een drukfout; de correcte naam eert Burbidges vrouw en eindigt dus op -eae.

Waar en wanneer te zien

De soort is alleen binnen het nationaal park Kinabalu te zien, en de parkregels gelden: blijf op de officiële paden, ga met een gids, en raak geen planten aan. Deze gids noemt geen specifieke plekken. Op ultramafische kammen in het bergbos tussen ongeveer 1200 en 1800 m zijn de bekers aan hun porseleinwitte kleur met rode vlekken te herkennen; de onderbekers liggen in het mos, de bovenbekers hangen in het struweel. Het nationaal park heeft ook informatiecentra waar de bekerplanten van de berg worden toegelicht.

Staat van instandhouding

Op de Rode Lijst staat de soort als bedreigd (Endangered; beoordeling uit 2000). Clarke stelde in 1997 een minder zware status voor: vrijwel alle bekende populaties liggen binnen het nationaal park Kinabalu en zijn voor verzamelaars moeilijk bereikbaar, zodat de soort in de nabije toekomst weinig gevaar loopt zolang de bescherming blijft. Het kleine, versnipperde areaal op één type bodem maakt hem echter kwetsbaar voor branden, droogte en wegen- of mijnbouw aan de randen van het park. De soort staat in CITES bijlage II.

Wetenschappelijke naam

Nepenthes burbidgeae | J.D. Hooker ex Burbidge, 1882

De naam werd door Joseph Dalton Hooker bedacht, maar verscheen aanvankelijk alleen in een ongepubliceerd manuscript; formeel gepubliceerd werd de soortsnaam pas door Frederick William Burbidge, in een brief aan The Gardeners' Chronicle in 1882, waarin hij de plant omschreef als "a lovely thing, as yet unintroduced: pitchers pure white, semi-translucent like egg-shell". De soort werd oorspronkelijk in 1858 op de berg Kinabalu ontdekt door Hugh Low en Spenser St. John, op ongeveer 1200 m hoogte; Burbidge verrichtte de formele typeverzameling in 1878. Het Marai Parai-plateau op de berg Kinabalu, Borneo; het typemateriaal ligt in de Royal Botanic Gardens, Kew, met een duplicaat in de New York Botanical Garden. De soortsnaam eert de echtgenote van Frederick Burbidge; Hooker koos deze toewijzing als erkenning van Burbidges bijdragen aan de kennis van het geslacht Nepenthes.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.