Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes veitchii

Nepenthes veitchii

Een bekerplant die op een boomstam groeit alsof hij er tegenaan is geplakt. Nepenthes veitchii heeft een ongewone groeiwijze: de bladeren staan in twee rijen en omvatten met hun voet de stam van de gastboom, zodat de plant zich als een waaier tegen de schors vlijt. Daarbij komen bekers met een van de breedste peristomen van het geslacht, een goudgele tot oranje kraag die aan de achterkant tot 8 cm breed kan worden en bijna verticaal staat. De soort is genoemd naar de Engelse kwekersfamilie Veitch.

Nepenthes veitchii
Foto: Pavel Kirillov from St.Petersburg, Russia — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons
Nepenthes veitchii — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: Pavel Kirillov from St.Petersburg, Russia — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons
Nepenthes veitchii — de standplaats
De standplaats · Foto: Pavel Kirillov from St.Petersburg, Russia — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een klimplant, epifytisch of op de grond, zelden een struik, van een halve tot zes en uitzonderlijk tien meter, met een vaak golvende, ronde stengel van 4 tot 10 mm dik. De bladeren zijn leerachtig en gesteeld, omgekeerd eirond tot omgekeerd lancetvormig, 14 tot 25 cm lang en 4 tot 10 cm breed, met een gootvormige bladsteel tot 5 cm die de stengel omvat. De hele plant is bedekt met dichte, afstaande, koperkleurige haren tot 3 mm. De onderbekers zijn breed cilindrisch, in het midden het breedst, 15 tot 28 cm hoog en 4 tot 10 cm breed, met gefranjerde vleugels van 4 tot 5 mm. De mond is van voren horizontaal en achteraan plotseling hol; het peristoom is afgeplat, van voren 4 tot 15 mm en bij het deksel 10 tot 80 mm breed. Het deksel is smal eirond tot elliptisch, 3 tot 9 cm lang. De bovenbekers zijn groter, tot 30 bij 8,5 cm, met vleugels van 5 tot 10 mm.

Gelijkende soorten

Geen andere soort van Borneo combineert een tegen de stam gevlijde, tweerijige groeiwijze met zo'n breed, bijna verticaal peristoom en een dichte koperkleurige beharing. Nepenthes truncata van de Filipijnen heeft een vergelijkbaar breed peristoom, maar veel grotere bladeren met een afgeknotte voet. De naaste verwant is volgens latere auteurs N. robcantleyi, eveneens van de Filipijnen. Op Borneo zelf kunnen hybriden verwarring geven: N. veitchii kruist met onder meer N. fusca, N. stenophylla en N. lowii, en die kruisingen hebben vaak een tussenvorm van peristoom en beharing.

De val en hoe hij werkt

Het peristoom is de val. Het is een breed, afgeplat, geribd platform dat vooral aan de achterkant sterk verbreed is en in de lengte van de beker omhoog staat; een oude beschrijving vergeleek het met de kieuwen van een vis, met smalle lamellen die naar het midden toelopen. Nectar op dit brede oppervlak lokt insecten, en zodra een waterfilm de ribben bedekt, glijden ze naar binnen. Het smalle deksel staat schuin en laat de mond grotendeels vrij. De onderbekers, met vleugels, vangen op de stam kruipende dieren; de grotere bovenbekers vangen vliegende insecten. Prooigegevens zijn niet gepubliceerd.

Standplaats en ecologie

De soort heeft twee zeer verschillende standplaatsen: dipterocarpen-laaglandregenwoud, vooral langs rivieren, van 55 tot 500 m (B2), en bemost nevelwoud op bergkammen, van 750 tot 1800 m (B1). In beide groeit hij meestal als epifyt op boomstammen, met de bladvoeten om de stam geslagen. Op de hoogvlakte van Bario in Sarawak komt een vorm voor die uitsluitend op de grond groeit en nooit klimt. Flora Malesiana geeft voor deze twee standplaatsen gescheiden hoogtezones, wat past bij het onderscheid dat in de praktijk tussen laagland- en hooglandvormen wordt gemaakt.

Verspreiding en hoogte

Endemisch op Borneo: centraal Sarawak, Brunei en Sabah, en zeldzaam in Kalimantan. Het hoogtebereik volgens Flora Malesiana is 55 tot 500 m en 750 tot 1800 m; andere auteurs geven 0 tot 1600 m. De gebiedsaanduiding in onze soortenlijst (Borneo) klopt.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 17 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er zijn geen erkende variëteiten; twee namen voor infraspecifieke vormen zijn ongeldig gepubliceerd. In de praktijk worden een laaglandvorm en een hooglandvorm onderscheiden, met verschillen in groeiwijze en kleur; de terrestrische vorm van Bario is daarvan de opvallendste. De bekerkleur varieert van goudgeel tot groen, zelden met rode vlekken, en het peristoom kan rood-geel gestreept zijn of effen groen, geel of bruin. Natuurlijke hybriden zijn bekend met N. albomarginata, N. chaniana, N. faizaliana, N. fusca, N. hurrelliana, N. lowii en N. stenophylla.

Waar en wanneer te zien

In het laagland van Sarawak en Brunei zoek je langs rivieroevers in dipterocarpenbos: kijk naar boomstammen waartegen een waaier van bladeren gevlijd ligt, met onderbekers die tegen de schors hangen. In de bergen staat de soort op bemoste kammen; in de hooglanden van Sarawak, zoals rond Bario, is hij langs paden te zien. Het brede, gele tot oranje peristoom valt van een afstand op. Raak de planten niet aan: de koperkleurige haren en de bekers beschadigen gemakkelijk.

Staat van instandhouding

Op de Rode Lijst staat de soort als niet in gevaar (Least Concern). Het areaal is groot, de soort komt in twee hoogtezones voor en groeit als epifyt vaak buiten bereik. Laaglandpopulaties langs rivieren lijden wel onder houtkap en de aanleg van palmolieplantages, en planten met bijzondere peristoomkleuren zijn in het verleden verzameld. De soort staat, zoals het hele geslacht, in CITES bijlage II.

Wetenschappelijke naam

Nepenthes veitchii | J.D. Hooker, 1859

Beschreven door Joseph Dalton Hooker in 1859, in Transactions of the Linnean Society of London, deel 22, nr. 4, p. 415-424. De precieze typelocatie kon niet met zekerheid worden achterhaald. Odoardo Beccari vond de soort in 1865 op de berg Santubong, maar dat is een latere waarneming, niet noodzakelijk de oorspronkelijke typeverzameling. De soort is wijdverspreid in het noordwesten van Borneo, op 0-1600 m hoogte. Vernoemd naar James Veitch, kweker van de bekende Engelse kwekerij Veitch Nurseries — vandaar de Engelse volksnaam "Veitch's pitcher-plant".

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.