Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes northiana
Nepenthes northiana
Een van de meest geplunderde bekerplanten van Borneo. Nepenthes northiana groeit alleen op kalksteenrotsen in de heuvels rond het stadje Bau, in het westen van Sarawak, en is genoemd naar de Engelse botanisch schilderes Marianne North, die hem in 1876 schilderde naar planten die een medewerker van de Borneo Company voor haar uit het oerwoud had gehaald. Hooker beschreef hem in 1881. De grote, bolle bekers, groenwit met rode vlekken en met een breed, gegolfd peristoom, maakten hem al in de negentiende eeuw tot een begeerd kasobject.



Herkenning
Een krachtige klimplant met stengels tot 10 m lang en 15 mm dik, met leden tot 25 cm, rond tot driehoekig in doorsnede. De bladeren zijn papierachtig, ongesteeld tot bijna gesteeld, langwerpig tot omgekeerd eirond, tot 40 cm lang en 10 cm breed, met vier lengtenerven aan weerszijden van de middennerf. De bladvoet omvat de stengel half en loopt in twee vleugels langs de stengel af. De ranken worden tot 100 cm lang. Aan de onderkant van het blad zitten dertig tot zestig nectarklieren. De onderbekers zijn eivormig, soms bovenaan iets cilindrisch, tot 40 cm hoog en 15 cm breed, met gefranjerde vleugels tot 15 mm; het peristoom is opzij sterk verbreed, tot 25 mm, vaak gegolfd, met korte tanden aan de binnenrand. Het deksel is eirond tot langwerpig met een spitse top. De bovenbekers zijn over de hele lengte trechtervormig, met een smaller peristoom. De plant is vrijwel kaal.
Gelijkende soorten
De naaste verwant is Nepenthes mapuluensis van Oost-Kalimantan, met smallere, meer lijnvormige bladeren, donkerder bekers en smallere bovenbekers; beide groeien op kalksteen, maar ver van elkaar. N. macrovulgaris mist de aflopende bladvoet en heeft een andere stengeldoorsnede. N. hurrelliana en N. veitchii hebben eveneens een breed peristoom, maar kleinere en minder bont gekleurde bekers en een andere groeiwijze. Rond Bau is de combinatie van kalksteen, grote bolle bekers en een gegolfd, gestreept peristoom kenmerkend genoeg.
De val en hoe hij werkt
Een grote valkuil, die tot bijna een liter vocht kan bevatten. Het brede, gegolfde peristoom vormt een ruim glad platform met nectar, en de waszone aan de binnenwand is gereduceerd, zodat het peristoom het eigenlijke vangwerk doet. Het blad heeft daarnaast tientallen nectarklieren aan de onderkant, die mieren en andere insecten naar de plant lokken. De onderbekers vangen op de rotsrichels lopend gedierte, de trechtervormige bovenbekers vliegende insecten. Opvallend zijn de zaden: kort gevleugeld, met een groot embryo en ongewoon houtig, wat verspreiding door de wind beperkt en past bij een soort die aan enkele rotsen gebonden is.
Standplaats en ecologie
Uitsluitend kalksteen (R2), van zeeniveau tot ongeveer 500 m. De plant groeit op open, bijna verticale kalksteenwanden met permanent sijpelwater (R1), en soms in secundaire vegetatie op kleine heuvels. De wanden zijn heet in de zon, maar door het sijpelwater altijd vochtig; de plant wortelt in spleten en op richels waar zich wat humus heeft opgehoopt. Dat hij op kalk groeit, een voor bekerplanten ongewone bodem, is lang onderwerp van speculatie geweest; in cultuur blijkt hij geen kalk nodig te hebben.
Verspreiding en hoogte
Endemisch op Borneo, en daar beperkt tot de heuvels rond Bau in de divisie Kuching, in het westen van Sarawak, Maleisië. Hoogte: 0 tot 500 m. Een plant van de Baram-rivier, ooit als N. decurrens beschreven, wordt tot deze soort gerekend. De gebiedsaanduiding in onze soortenlijst (Bau, Sarawak) klopt met de literatuur.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
In 1909 werd een var. pulchra beschreven, met paarsrode bekers en een rood-geel gestreept peristoom tegenover de gewone gelige bekers met bruine of rode vlekken; die naam is niet geldig en wordt niet erkend. Er zijn drie natuurlijke hybriden bekend: N. ×cincta met N. albomarginata, zeldzaam op enkele kalksteenplekken rond Bau; N. ×bauensis met N. gracilis, van één moerassige laaglandlocatie; en een in 2007 ontdekte kruising met N. mirabilis.
Waar en wanneer te zien
De kalksteenheuvels rond Bau, op een uur rijden van Kuching, zijn het enige gebied. De grotten van Fairy Cave en Wind Cave liggen in hetzelfde landschap en geven een indruk van de kalkwanden; de planten zelf groeien meestal hoog op steile, ontoegankelijke wanden en zijn met een verrekijker vanaf de voet te zien. Klim niet op de wanden: dat is gevaarlijk en beschadigt de planten. Let op grote, groenwitte bekers met rode vlekken die aan lange ranken over de rotsrand hangen.
Staat van instandhouding
Op de Rode Lijst staat de soort als kwetsbaar (Vulnerable; beoordeling uit 2000). Door zijn schoonheid en handelswaarde is hij in het verleden bijna tot uitsterven toe verzameld; Phillipps en Lamb schreven dat in 1996 met zoveel woorden. Kalksteengroeven hebben enkele heuvels aangetast. Op korte termijn is de soort redelijk veilig, omdat de meeste planten op onbereikbare wanden staan. De soort staat in CITES bijlage II; de vraag van verzamelaars wordt nu grotendeels uit kweek gedekt.
Wetenschappelijke naam
Nepenthes northiana | J.D. Hooker, 1881
Nepenthes northiana werd in 1881 beschreven door Joseph Dalton Hooker, in The Gardeners' Chronicle, nieuwe reeks, 16(414): 717, met een aanvullend beschrijvend blad. Het typemateriaal werd in 1876 verzameld nabij Jambusan, Sarawak, Borneo, op de takken van een boom op ongeveer 300 m hoogte, op de kalksteenbergen bij Bau, en ligt in de Royal Botanic Gardens, Kew. De kalksteenbergen bij Bau, nabij Jambusan, Sarawak, Borneo, op ongeveer 300 m hoogte. De soortsnaam eert Marianne North, de Engelse botanische illustrator die de soort als eerste afbeeldde.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.