Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes eustachya
Nepenthes eustachya
Een laagland- en middengebergtesoort van Noord- en West-Sumatra die een groot deel van de twintigste eeuw onder de naam van een Filipijnse soort verborgen zat. Nepenthes eustachya werd al in 1858 beschreven, maar Danser voegde hem in 1928 samen met N. alata, en pas Jebb en Cheek gaven hem in 1997 zijn zelfstandigheid terug. In het veld is hij een van de meest zichtbare bekerplanten van West-Sumatra: dichte pollen op open rotswanden en steile hellingen, met slanke, witte tot lichtroze bekers vol rode spikkels.

Herkenning
Een klimplant met stengels tot 5 m lang en 8 mm dik, met cilindrische leden tot 12 cm. De bladeren zijn leerachtig en gesteeld, langwerpig-lancetvormig, tot 20 cm lang en 5 cm breed, met een afgeronde tot uitgerande top; de bladsteel is nauwelijks of niet gevleugeld en de rank wordt tot 15 cm. De onderbekers zijn in het onderste kwart eivormig en daarboven cilindrisch, tot 20 cm hoog en slechts 4 cm breed, zonder vleugels maar met een paar richels, een ronde mond, een peristoom tot 5 mm met onduidelijke tanden en een bijna rond deksel zonder aanhangsels; het spoor is tot 4 mm en meestal gevorkt. De bovenbekers lijken erop, worden iets groter en zijn in het bovenste kwart trechtervormig. Volwassen delen zijn kaal; alleen jonge delen dragen wat witte haren.
Gelijkende soorten
De soort werd lang als Nepenthes alata behandeld, maar is goed te onderscheiden: N. alata heeft lancet-eironde bladeren met een spitse top, een breed gevleugelde bladsteel, een ongedeeld spits spoor en behaarde volwassen delen, terwijl N. eustachya afgeronde bladtoppen, een nauwelijks gevleugelde bladsteel, een gevorkt spoor en kale volwassen delen heeft. Van N. mirabilis, die in hetzelfde gebied groeit, verschilt hij door onderbekers zonder vleugels, gefranjerde bladranden aan korte scheuten en leerachtige in plaats van papierachtige bladeren. Waar beide voorkomen, is de slanke, lichte, rood gespikkelde beker het beste veldkenmerk.
De val en hoe hij werkt
Een smalle valkuil, die in beide vormen weinig van elkaar verschilt. De onderbekers hebben geen vleugels maar alleen een paar richels, en de verteringsklieren liggen alleen in het eivormige onderste deel. De bovenbekers worden naar de mond toe trechtervormig, wat vliegende insecten die op het peristoom uitglijden de weg naar beneden wijst. Het peristoom is smal, tot 5 mm, en het deksel is bijna rond en zonder aanhangsels; de onderkant is vaak donkerder gekleurd dan de rest van de beker. Specifieke gegevens over de prooi van deze soort zijn niet gepubliceerd.
Standplaats en ecologie
Open, zonnige plekken aan de bosrand: rotswanden en steile hellingen, vrijwel altijd op zandsteen of kale rots (B5, B2). Waar de soort voorkomt, vormt hij dichte pollen, en hij groeit er samen met onder meer N. albomarginata, N. ampullaria, N. gracilis, N. longifolia en N. sumatrana. Zijn hoogtebereik is opvallend breed, van zeeniveau tot 1600 m, zodat hij zowel in het kustheuvelland als in het binnenland voorkomt. Recent veldwerk in West-Sumatra noemt geclusterde populaties op heuvels in het binnenland.
Verspreiding en hoogte
Endemisch op Sumatra, Indonesië, in de provincies Noord- en West-Sumatra, van de omgeving van Sibolga aan de westkust tot de hooglanden rond Padang. Het hoogtebereik is 0 tot 1600 m. Binnen dat gebied is de soort plaatselijk algemeen, maar zijn voorkomen is gebonden aan open rotsige plekken en daardoor versnipperd. De wereldchecklist (WCVP) noemt alleen Sumatra. De gebiedsaanduiding in onze soortenlijst (West- en Noord-Sumatra) klopt met de literatuur.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er worden geen variëteiten onderscheiden. De kleur van de bekers varieert: wit tot lichtroze met veel rode spikkels, een meestal geelachtig peristoom met soms rode strepen, en een deksel waarvan de onderkant donkerder is. Op zijn standplaatsen kruist de soort met verschillende buren: met N. albomarginata (met roodachtige bladeren en bekers) en N. longifolia zijn natuurlijke hybriden bekend, en hybriden met N. ampullaria, N. gracilis en N. sumatrana worden vermoed; die laatste werd al rond 1990 gevonden, maar toen onder verkeerde oudernamen gemeld.
Waar en wanneer te zien
De soort is het gemakkelijkst te vinden langs wegen die door heuvelland met zandsteen lopen, in West- en Noord-Sumatra: kijk naar open rotswanden en steile, gedeeltelijk ontboste hellingen aan de bosrand. Van een afstand verraden de dichte pollen zich door de slanke, bleke bekers, die tegen donkere rots goed afsteken. Verwacht in dezelfde omgeving andere laaglandsoorten, en let bij twijfel op het spoor onder het deksel (gevorkt) en de bladsteel (vrijwel ongevleugeld). Blijf bij steile rotswanden op veilige afstand.
Staat van instandhouding
Op de Rode Lijst staat de soort als niet in gevaar (Least Concern). Het areaal is lang, de hoogteamplitude groot, en de soort groeit op open, rotsige plekken die voor landbouw ongeschikt zijn. Plaatselijk verdwijnen populaties door wegenaanleg en het afgraven van hellingen, en het omliggende bos verdwijnt voor plantages, maar de rotswanden zelf blijven meestal onaangetast. Als lid van het geslacht staat de soort in CITES bijlage II; internationale handel in wilde planten vereist een vergunning.
Wetenschappelijke naam
Nepenthes eustachya | Miquel, 1858
Nepenthes eustachya werd in 1858 beschreven door Friedrich Anton Wilhelm Miquel, in zijn werk Flora Indiae Bataviae. Het lectotype (Teijsmann 529) werd in februari 1856 verzameld door Johannes Elias Teijsmann bij Sibolga, een havenstad aan de kust van Sumatra, en ligt in het herbarium van de Bogor Botanical Gardens. Bij Sibolga, een havenstad aan de westkust van Sumatra, Indonesië. De naam komt van het Griekse "eu" ("echt, goed") en "stachys" ("aar") en verwijst naar de trosvormige (racemeuze) structuur van de bloeiwijze.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.