Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes masoalensis
Nepenthes masoalensis
Madagaskar heeft twee bekerplanten. De ene, Nepenthes madagascariensis, is al sinds de zeventiende eeuw bekend en groeit langs de hele oostkust. De andere werd pas in 1977 beschreven, door de Zwitserse botanicus R. Schmid-Hollinger, en is beperkt tot het ruige noordoosten van het eiland: Nepenthes masoalensis, genoemd naar het schiereiland Masoala. Het is een van de meest westelijke soorten van het hele geslacht, en een van de minst bekende: het gebied is afgelegen, ruig en grotendeels met regenwoud bedekt.

Herkenning
Een klauterende of klimmende plant met stengels tot vijf meter lang. De bladschijf is lijnvormig, licht lancetvormig of elliptisch, tot 30 cm lang en 6 cm breed. De onderbekers worden tot 12 cm hoog en 4,5 cm breed, zijn onderaan gezwollen en dragen aan de voorkant twee vleugels; ze zijn vaak roodoranje of roodpaars. Het peristoom van de onderbekers is tot 5 mm breed, het deksel tot 4,5 cm lang en 4 cm breed. De bovenbekers zijn groter, tot 19 cm hoog en 5 cm breed, met een breder peristoom tot 8 mm, en meestal geheel helder geel. De bloeiwijze is een langgerekte pluim van 20 tot 50 cm, met per zijtak vier (bij vrouwelijke planten) tot twaalf (bij mannelijke) bloemen.
Gelijkende soorten
De enige soort waarmee hij verward kan worden, is Nepenthes madagascariensis, die langs de oostkust tot aan Masoala voorkomt. Beide hebben rode onderbekers en gele bovenbekers. N. masoalensis onderscheidt zich door bredere, duidelijker gesteelde bladeren en bekers met een breder, meer uitstaand peristoom; de bovenbekers zijn bovendien forser. De standplaatsen overlappen maar deels: N. madagascariensis is een soort van moerassen en zandvlakten in het kustlaagland, N. masoalensis groeit ook op bergkammen en in drogere, struikachtige vegetatie. Waar de soorten samen voorkomen, is kruising niet uitgesloten; in de geraadpleegde bronnen worden geen hybriden beschreven.
De val en hoe hij werkt
Een bekerval met veel nectar. Het deksel van de onderbekers draagt tachtig tot honderd, soms tot honderdvijftig grote, ronde nectarklieren, en ook het peristoom scheidt nectar af. Zoals bij verwante soorten vangen de onderbekers vooral lopende prooi, de gele bovenbekers daarnaast vliegende insecten; de felle kleur is voor bestuivers en prooidieren goed zichtbaar tegen het groen. Het brede peristoom van de bovenbekers — tot 8 mm — wordt glad als er een waterfilm op ligt. In de onderste helft van de bovenbekers liggen 120 tot 400 verteringsklieren per vierkante centimeter.
Standplaats en ecologie
Een wisselende reeks natte en droge plekken in het laagland: moerassen met Pandanus en veenmos, bergkammen en xerofytische, struikachtige vegetatie (W1, B5). De soort groeit van ongeveer 30 tot 400 m. Wat de standplaatsen gemeen hebben, is een open vegetatie en een arme bodem: in het moeras door het water en het veen, op de kammen door de dunne, uitgespoelde grond. In gesloten regenwoud komt hij niet voor, wel langs de randen en op natuurlijke open plekken.
Verspreiding en hoogte
Endemisch op Madagaskar, en daar bekend van het schiereiland Masoala in het noordoosten en van een tweede gebied in het noordoosten, rond het Ambato-massief. Hij groeit tussen ongeveer 30 en 400 m hoogte. Precieze vindplaatsen worden hier niet vermeld, vanwege de status van de soort. Masoala is grotendeels nationaal park en maakt deel uit van de werelderfgoedzone van de regenwouden van de Atsinanana.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er worden geen variëteiten of vormen in het wild onderscheiden. De opvallendste variatie zit binnen de plant: de onderbekers zijn roodoranje tot roodpaars, de bovenbekers meestal effen geel. Planten in volle zon zijn roder en gedrongener dan planten in de luwte. De soort is nauw verwant aan N. madagascariensis; de twee vormen samen de westelijke uitloper van het geslacht, en hun gezamenlijke oorsprong uit Azië wordt aan langeafstandsverspreiding van het lichte zaad toegeschreven.
Waar en wanneer te zien
Masoala is alleen over zee of via lange voettochten te bereiken, meestal vanuit Maroantsetra aan de Baai van Antongil. Voor het nationale park is een vergunning en een gids verplicht. Zoek aan de randen van moerassen en op open kammen, niet in het gesloten bos. De bloei valt in september en oktober; dat is ook de drogere periode aan deze kust, wanneer het reizen het gemakkelijkst is. Neem geen planten of zaad mee: de soort is bedreigd en de populaties zijn klein.
Staat van instandhouding
Op de Rode Lijst staat de soort als bedreigd (Endangered). Het verspreidingsgebied is klein en versnipperd, en het noordoosten van Madagaskar staat onder druk door zwerflandbouw, houtkap en branden. Een groot deel van Masoala is wel beschermd als nationaal park, wat de populaties daar een zekere bescherming geeft. Als lid van het geslacht staat hij in CITES bijlage II, zodat internationale handel in wilde planten een vergunning vereist.
Wetenschappelijke naam
Nepenthes masoalensis | Schmid, 1977
Nepenthes masoalensis werd in 1977 beschreven door Rita Schmid-Hollinger, in "Nepenthes-Studien IV. Eine neue Nepenthes-Art aus Madagascar, Nepenthes masoalensis sp. nov." (Botanische Jahrbücher für Systematik, Pflanzengeschichte und Pflanzengeographie 97(4): 575-585). Het Masoala-schiereiland, oostelijk Madagaskar, waar de soort samen met de omgeving van de berg Ambato voorkomt; de precieze typelocatie kon niet nauwkeuriger worden vastgesteld. De naam is afgeleid van het Masoala-schiereiland in oostelijk Madagaskar, waar deze bekerplant voorkomt.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.