Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes nigra

Nepenthes nigra

Een kannenplant die haar naam aan haar kleur dankt: de onderbekers van Nepenthes nigra zijn aan de buitenkant zwart of zeer donkerbruin, terwijl de binnenkant wit of bleekpaars is. De soort werd in 2011 beschreven door Joachim Nerz, Andreas Wistuba, Ch'ien Lee, Greg Bourke, U. Zimmermann en Stewart McPherson, in het eerste deel van New Nepenthes, een boekreeks waarin een hele reeks nieuwe soorten van Zuidoost-Azië werd gepubliceerd. Ze behoort tot de groep rond Nepenthes tentaculata en N. hamata, die op Sulawesi met opvallend veel soorten vertegenwoordigd is.

Nepenthes nigra
Foto: Eidiu — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Herkenning

Een klimplant met stengels tot vijf meter en tot 12 mm dik, en kale, zittende, lancetvormige bladeren tot 22 cm lang. De onderbekers zijn eivormig en opgeblazen, tot 23 cm hoog, met gefranjerde vleugels tot bijna 2 cm breed aan de voorzijde. De buitenkant is zwart of zeer donkerbruin, de binnenkant wit of bleekpaars, een contrast dat de soort meteen herkenbaar maakt. Het peristoom is tot 4 mm breed, met mesvormige ribben die in fijne, naaldvormige tandjes eindigen. Het deksel is hartvormig tot eirond en heeft geen aanhangsel. De bovenbekers zijn kleiner, tot 14 cm hoog, onderaan eivormig, met een vlakke, brede voorzijde zonder vleugels. De bekers zijn aan de buitenkant bedekt met zachte, oranjebruine haren.

Gelijkende soorten

De naaste verwanten zijn Nepenthes hamata en Nepenthes tentaculata, en met beide vormt ze natuurlijke hybriden. N. hamata heeft een peristoom met lange, gekromde haken en een deksel met draadvormige uitsteeksels; N. tentaculata is kleiner en heeft ook zulke uitsteeksels op het deksel. N. nigra mist die uitsteeksels en valt op door de zwarte buitenkant van de onderbekers. Nepenthes glabrata, die in dezelfde bergen groeit, is veel kleiner en heeft een zeer smal, tandloos peristoom.

De val en hoe hij werkt

Een valkuil met een peristoom van mesvormige ribben die in naaldvormige tandjes uitlopen. Nectar op het peristoom en onder het deksel lokt insecten; op de natte ribben verliezen ze hun houvast. De onderbekers, met hun brede, gefranjerde vleugels, staan in het mos en vangen vooral lopend gedierte; de bovenbekers, met een vlakke voorzijde, hangen in de vegetatie. Waarom de onderbekers aan de buitenkant zo donker zijn, is niet onderzocht; een contrast tussen een donkere buitenkant en een lichte binnenkant kan voor sommige insecten een visueel signaal zijn, maar dat is een hypothese. Een prooistudie is niet gepubliceerd. Onderzoek aan andere soorten van het geslacht heeft laten zien dat het peristoom werkt door 'aquaplaning': een dun waterlaagje op het fijn geribbelde oppervlak maakt het zo glad dat de hechtkussentjes van insectenpoten er geen vat meer op krijgen. De val werkt dus het best als het vochtig is, wat in nevelwoud bijna altijd het geval is.

Standplaats en ecologie

Bemost bergbos, montaan struikgewas, kleine open plekken en rotswanden tussen ongeveer 1500 en 2700 m (B1, R5). Op de grond groeit de plant in het mos van het bergbos en op open plekken; als epifyt zit ze in dikke moskussens op kleinere bomen van het nevelwoud. Het is een koude, permanent vochtige standplaats in de hoogste delen van de bergen van Midden-Sulawesi.

Verspreiding en hoogte

Endemisch op Sulawesi en bekend van meerdere bergen in de provincie Midden-Sulawesi. Dat stemt overeen met de aanduiding 'Sulawesi' in de eigen soortenlijst. De soort heeft een van de grootste hoogtebereiken van de kannenplanten op het eiland, tot 2700 m. Sulawesi ligt ten oosten van de lijn van Wallace, in de overgangszone tussen de Aziatische en de Australische flora en fauna, en telt veel minder kannenplanten dan Borneo; des te opvallender is dat een groot deel van de soorten op het eiland endemisch is.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 6 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er zijn geen variëteiten of wilde vormen beschreven. De mate van zwarte verkleuring varieert, van zeer donkerbruin tot gitzwart. Natuurlijke hybriden zijn gemeld met N. glabrata en N. tentaculata; ook met N. hamata wordt kruising verwacht, aangezien de soorten in hetzelfde gebied groeien. Zoals alle kannenplanten is de soort tweehuizig: er zijn mannelijke en vrouwelijke planten, en voor zaadzetting moeten beide in bloei staan. De kleine, onopvallende bloemen staan in trossen of pluimen en worden door insecten bestoven; de zaden zijn licht en worden door de wind verspreid.

Waar en wanneer te zien

De soort groeit in de hoogste delen van de bergen van Midden-Sulawesi, die alleen via meerdaagse tochten bereikbaar zijn. Boven ongeveer 1500 m, in het mos van het nevelwoud en op open plekken langs de kammen, zijn de zwarte onderbekers in het groene mos goed te zien. Kijk ook naar epifytische moskussens op de stammen van lage bomen.

Staat van instandhouding

De IUCN Rode Lijst beoordeelt de soort als niet in gevaar (Least Concern). Ze komt op meerdere bergen voor, in hooggelegen gebieden die weinig worden verstoord, en groeit ook op open plekken. Als lid van het geslacht Nepenthes staat de soort in CITES bijlage II, zodat internationale handel in wilde planten een vergunning vereist. Voor liefhebbers is het goed te weten dat vrijwel alle soorten van het geslacht inmiddels via weefselkweek beschikbaar zijn; wie een plant wil kweken, heeft geen wilde planten nodig.

Wetenschappelijke naam

Nepenthes nigra | Nerz, Wistuba, Lee, Bourke, Zimmermann & McPherson, 2011

Nepenthes nigra werd in 2011 beschreven door Joachim Nerz, Andreas Wistuba, Ch'ien C. Lee, Greg Bourke, Urs Zimmermann en Stewart McPherson, in het boek New Nepenthes: Volume One. Verscheidene bergen in centraal Sulawesi, Indonesië, op 1500-2700 m hoogte; een enkele, specifieke typelocatie kon niet worden vastgesteld. De naam verwijst naar de donkere kleur van de bekers en de stengel van deze soort.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.