Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes rosea

Nepenthes rosea

Wie een beker van deze soort openbuigt en naar binnen kijkt, ziet vaak een effen roze binnenwand — vandaar de naam Nepenthes rosea. De soort werd eind 2014 beschreven door Marcello Catalano en Trongtham Kruetreepradit, op basis van een populatie in de heuvels van de provincie Krabi in Zuid-Thailand. Hij behoort tot de groep rond Nepenthes thorelii, een lastige reeks nauw verwante Indochinese soorten, en heeft een eigenaardigheid die bij bekerplanten zelden wordt gezien: soms groeit er uit de bloeistengel een nieuwe bladrozet.

Nepenthes rosea
Foto: Marcello Catalano — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Nepenthes rosea — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: Marcello Catalano — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Nepenthes rosea — de standplaats
De standplaats · Foto: Marcello Catalano — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een klimplant tot ongeveer 4 m, met opvallend dunne stengels, tot 4 mm in doorsnede — dunner dan bij verwante soorten. De bladeren zijn lancetvormig, 10 tot 24 cm lang en 1,5 tot 3,5 cm breed, licht- tot donkergroen. De onderbekers zijn 8 tot 15 cm hoog en 3 tot 4,5 cm breed, groen tot lichtroze met donkerroze strepen aan de buitenkant; het deksel is 2,5 tot 4,5 cm lang en 3 tot 4,5 cm breed. De bovenbekers zijn slanker, 11 tot 18 cm hoog en 1,5 tot 3,5 cm breed, en van buiten lichtgroen. De binnenwand is vaak egaal roze. Mannelijke bloeiwijzen worden 40 tot 50 cm lang met ongeveer 25 tot 90 bloemen; vrouwelijke 20 tot 50 cm met 18 tot 42 bloemen.

Gelijkende soorten

In dezelfde streek groeit Nepenthes krabiensis, in 2016 beschreven uit hetzelfde natuurreservaat in Krabi en volgens zijn beschrijvers nauw verwant aan N. rosea. N. krabiensis staat op hogere toppen, vaak in spleten van kalksteen, en heeft onderbekers die groen tot oranje zijn met rode strepen, en bovenbekers met rode vlekken aan de binnenkant. Binnen de N. thorelii-groep onderscheidt N. rosea zich volgens de beschrijving vooral door de dunne stengel, de roze binnenkant van de bekers en de rozetten die soms uit de bloeistengel groeien.

De val en hoe hij werkt

Een gewone valkuil, met onderbekers die op de grond staan en lopende prooi vangen, en slanke bovenbekers die aan de klimstengels hangen. De roze binnenwand is opvallend, maar of die kleur een rol speelt bij het lokken van prooi, is niet onderzocht. Zoals bij andere soorten ligt de nectar op het peristoom en onder het deksel, en maakt een waterfilm het peristoom glad. Onderin zit verteringsvloeistof. In de open, zonnige vegetatie waar de soort groeit, zijn mieren en andere bodembewoners talrijk; de onderbekers zijn daar goed op ingericht.

Standplaats en ecologie

Zand en humus in wisselende verhoudingen, op zowel steile als vlakke grond: open plekken, struikgewas en open bos in de heuvels (B5, D1). De soort groeit tussen ongeveer 450 en 520 m; het type werd op ongeveer 500 m verzameld. Het is een seizoensgebonden landschap met een droge en een natte periode, en verwante soorten uit de N. thorelii-groep overleven de droge tijd met een dikke wortelstok. De planten staan graag in het licht, langs randen en op open plekken, en klimmen daar in de lage struiken omhoog.

Verspreiding en hoogte

Endemisch in Thailand, in de provincie Krabi op het schiereiland, tussen ongeveer 450 en 520 m. De soort is bekend van een beperkt gebied in de heuvels van Krabi, in een natuurreservaat waar ook N. krabiensis voorkomt. Het is een van de zuidelijke uitlopers van de N. thorelii-groep, waarvan het zwaartepunt in Cambodja, Vietnam en Oost-Thailand ligt.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. Het donkere vak is het enige hok van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt. Het zegt waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er worden geen variëteiten of vormen onderscheiden. De kleur varieert wel: onderbekers van effen groen tot lichtroze met donkerroze strepen, en de roze binnenkant is niet bij elke plant even duidelijk. De rozetten die uit de bloeistengel groeien, zagen de beschrijvers bij ongeveer een derde van de driehonderd planten die zij in het wild bekeken — een vorm van vegetatieve vermeerdering die bij het geslacht zelden is beschreven. Natuurlijke hybriden worden in de geraadpleegde bronnen niet vermeld.

Waar en wanneer te zien

De heuvels van de provincie Krabi zijn het gebied, rond 450 tot 520 m. De omgeving is bosrijk en heuvelachtig, met natuurreservaten waarvoor toestemming van de parkbeheerder nodig kan zijn. Zoek langs open plekken en in struikgewas op zand- en humusrijke grond. Het einde van het natte seizoen, rond oktober — ook de maand waarin het type werd verzameld — is een goede tijd: de planten zijn volgroeid en de bekers vol. Kijk bij bloeiende planten naar de bloeistengel: een rozet aan de stengel is het onmiskenbare teken van deze soort.

Staat van instandhouding

De soort is niet geëvalueerd voor de Rode Lijst (Not Evaluated) in de bron die deze gids gebruikt. Wat bekend is: het verspreidingsgebied is klein en beperkt tot één provincie, maar een deel ervan ligt in een natuurreservaat, en de beschrijvers bekeken in het wild rond driehonderd planten. Het laag- en heuvelland van Krabi staat onder druk door rubber- en oliepalmteelt en door toerisme. Als lid van het geslacht staat hij in CITES bijlage II; internationale handel in wilde planten vereist een vergunning.

Wetenschappelijke naam

Nepenthes rosea | Catalano & Kruetreepradit, 2015

Nepenthes rosea werd in december 2014 beschreven door Marcello Catalano en Trongtham Kruetreepradit, in AIPC Magazine 36: 24-31. De provincie Krabi, schiereiland Thailand — dezelfde provincie als N. krabiensis (golf 25) — op 450-520 m hoogte, in open plekken, struikgewas en open bos op zand- en humusrijke bodem. De naam verwijst naar de kleur van de bloem/bekers: de bekers van deze soort hebben vaak een egaal roze binnenkant.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.