Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes rowaniae

Nepenthes rowaniae

Tussen 1881 en 1905 beschreef de Queenslandse staatsbotanicus Frederick Manson Bailey elf bekerplanten uit Noord-Australië. In 1928 veegde de Nederlandse monograaf Danser ze allemaal samen onder de wijdverbreide Nepenthes mirabilis. Eén daarvan bleek een eeuw later wel degelijk een eigen soort: veldwerk op Kaap York tussen 2001 en 2003 liet zien dat Nepenthes rowaniae stabiele kenmerken heeft die N. mirabilis nergens vertoont, en in 2005 werd hij door Charles Clarke en Rob Kruger in ere hersteld. Bailey noemde de plant naar Ellis Rowan, de Australische schilderes die bekend werd om haar botanische aquarellen.

Nepenthes rowaniae
Foto: Gary Rethus — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Herkenning

Een klimmende tot klauterende plant met opvallend dikke, stug leerachtige bladeren. Het beste kenmerk zit aan de bladpunt: de bladschijf trekt zich daar samen en loopt als een smalle, spitse punt nog een stuk door langs de rank, zodat de rank niet aan het uiteinde maar schildvormig aan de onderkant van de bladtop lijkt vast te zitten. De bladvoet loopt minstens de halve lengte van het stengellid langs de stengel af, vaak meer. De onderbekers zijn onderaan sterk gezwollen, met de ‘heup’ — de plek waar de vorm verandert — direct onder het peristoom, zodat ze bijna geheel bol zijn. Bij de bovenbekers ligt de heup in het bovenste kwart. De vleugels zijn vaak aan de voorkant afgeplat, zodat ze in doorsnede een T vormen, en dragen meestal gefranjerde draden. Voor deze gids is geen toetsbare bron met maten gevonden, dus de maatvelden blijven leeg.

Gelijkende soorten

Nepenthes mirabilis, die in hetzelfde gebied groeit, is de soort waarmee hij een eeuw lang werd verward. Het onderscheid volgens Clarke en Kruger: bij N. mirabilis is de bladtop spits tot rond en zit de rank er gewoon aan vast; de bladschijf is meestal dun en papierachtig en loopt hooguit een derde van het stengellid af; de heup van de bekers ligt halverwege of lager. Bij N. rowaniae is de bladschijf sterk leerachtig, zit de rank schildvormig vast, loopt de bladvoet minstens half af en ligt de heup hoog. N. tenax en N. parvula zijn kleine, rechtopstaande plantjes met veel smallere bekers en zijn gemakkelijk te onderscheiden.

De val en hoe hij werkt

Een bekerval met een opvallend hoge dichtheid aan klieren. In het onderste deel van de beker telden Clarke en Kruger ongeveer 3600 klieren per vierkante centimeter, tegen 1600 tot 2500 bij N. mirabilis; dat wijst op een sterke verteringscapaciteit. De bijna bolle onderbekers staan op de grond en vangen lopende prooi, geleid door de brede, vaak afgeplatte vleugels; de bovenbekers vangen ook vliegende insecten. Zoals bij verwante soorten zit nectar op peristoom en deksel, en maakt een waterfilm op het geribde peristoom de rand glad. Door de stugge, leerachtige bladeren is de plant goed bestand tegen de felle zon en de droge periodes van Kaap York.

Standplaats en ecologie

Nat, open laagland op het noorden van Kaap York: moerassen, natte heide en de randen van laagten die in het natte seizoen onderlopen (W6, W4). De standplaats is voedselarm en zuur, met zanderige of venige bodem. Het klimaat is sterk seizoensgebonden: een heet nat seizoen van ongeveer december tot april, en een lang droog seizoen waarin de omringende savanne regelmatig brandt. De leerachtige bladeren en de manier van groeien passen bij die harde omstandigheden. Voor deze gids is geen betrouwbaar gepubliceerde hoogtegrens gevonden; het is een soort van het laagland.

Verspreiding en hoogte

Endemisch in Australië: Queensland, op het schiereiland Kaap York. Het is een van de vier soorten bekerplanten van Kaap York, samen met N. mirabilis, N. tenax en N. parvula, en een van de drie die alleen in Australië voorkomen. Zijn nauwkeurige verspreiding binnen het schiereiland is in de voor deze gids geraadpleegde bronnen niet uitgewerkt; hij komt in het noordelijke deel van Kaap York voor, in het laagland.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 3 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er worden geen variëteiten of vormen erkend. Taxonomisch is de soort wel een terugkeerder: Bailey beschreef hem in 1897, Danser rekende hem in 1928 tot N. mirabilis, en Clarke en Kruger herstelden hem in 2005 als soort. De spelling van de naam varieert: in de oorspronkelijke publicatie en in veel literatuur staat N. rowanae, in de huidige namenlijsten N. rowaniae. Er zijn twee natuurlijke hybriden bekend: met N. mirabilis en, zeldzamer, met N. tenax.

Waar en wanneer te zien

Het noorden van Kaap York is alleen in het droge seizoen, van ongeveer juni tot oktober, over land bereikbaar; daarbuiten maken overstromingen de wegen onbegaanbaar. Kijk bij natte laagten, moerasranden en natte heide langs de hoofdroute naar het noorden; bekerplanten staan vaak dicht bij de weg. Let bij twijfel met N. mirabilis op de bladtop en de dikte van het blad: bij N. rowaniae voelt het blad stug en dik aan en loopt de bladschijf als een smalle punt langs de rank door. Veel land op Kaap York is van traditionele eigenaren; vraag waar nodig toestemming.

Staat van instandhouding

Op de Rode Lijst staat de soort als niet in gevaar (Least Concern). Kaap York is dunbevolkt, grote delen zijn beschermd of worden extensief beheerd, en de soort komt verspreid over het noorden van het schiereiland voor. Mogelijke bedreigingen zijn een veranderd brandregime, verwilderde varkens die in natte laagten wroeten, en illegaal verzamelen. Als lid van het geslacht staat hij in CITES bijlage II; internationale handel in wilde planten vereist een vergunning.

Wetenschappelijke naam

Nepenthes rowaniae | Bailey

Nepenthes rowaniae werd in 1897 beschreven door Frederick Manson Bailey, in het Queensland Agricultural Journal. Veldobservaties tussen 2001 en 2003 leverden het bewijs dat dit taxon onderscheiden was van de nauw verwante N. mirabilis (golf 27), wat in 2005 tot verheffing tot volwaardige soort leidde. Het Cape York-schiereiland, Australië — dezelfde regio als N. parvula (golf 29). De soortsnaam eert Ellis Rowan, Australisch natuuronderzoekster en illustrator.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.