Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes spathulata

Nepenthes spathulata

De bekerplant van de hoge bergen van Zuid-Sumatra, van de vulkaan Tanggamus in het zuiden tot het Kerinci-meer in het noorden. Nepenthes spathulata werd in 1935 door Danser beschreven naar een plant die de libellenkenner Lieftinck dat jaar op 2000 m hoogte had verzameld, en dankt zijn naam aan de spatelvormige bladeren. Het meest opvallend zijn de grote onderbekers met een peristoom dat van voren smal is en naar het deksel toe enorm verbreedt; de bovenbekers zijn daarentegen klein en slank.

Nepenthes spathulata
Foto: en:User:NepGrower in kweek — Public domain · Wikimedia Commons

Herkenning

Een klimplant tot ongeveer 5 m, met een stengel van slechts 8 mm dik en leden tot 15 cm, rond tot hoekig in doorsnede. De bladeren zijn ongesteeld tot bijna ongesteeld, leerachtig en spatelvormig, tot 30 cm lang en 10 cm breed, geleidelijk versmald naar de voet en met een afgeronde top; de rank wordt tot 20 cm. De onderbekers zijn in het onderste derde tot twee derde eivormig en daarboven cilindrisch, tot 30 cm hoog en 10 cm breed, met gefranjerde vleugels tot 25 mm. De mond is rond en sterk schuin; het peristoom is van voren hooguit 5 mm breed maar bij het deksel tot 25 mm, opzij uitgewaaierd, soms gegolfd, met korte tanden aan de binnenrand. De bovenbekers zijn veel kleiner, onderaan smal eivormig en daarboven cilindrisch, tot 15 cm hoog en 3 cm breed, met een peristoom tot 7 mm en twee richels in plaats van vleugels.

Gelijkende soorten

De naaste verwant is Nepenthes singalana, waarmee hij in 1986 zelfs is samengevoegd. N. singalana heeft een peristoom dat van voren samengeknepen en opzij zeer breed is, met minder geprononceerde ribben en kortere tanden, een eirond in plaats van rond deksel, en minder klieren op de dekselonderkant. Op de berg Masurai in Jambi staan planten die tussen beide in liggen. N. densiflora heeft meestal trechtervormige bovenbekers, en N. bongso en N. ovata zijn aan de vorm van de bovenbekers te onderscheiden. De combinatie van grote, breed-gerande onderbekers en kleine, slanke cilindrische bovenbekers is kenmerkend.

De val en hoe hij werkt

Twee zeer verschillende bekers aan één plant. De onderbekers zijn grote valkuilen met brede, gefranjerde vleugels en een peristoom dat bij het deksel zo breed wordt dat het een groot glad platform vormt: een insect dat op die nectarrijke rand komt, glijdt bij een waterfilm naar binnen. Ongeveer een derde van het peristoomoppervlak ligt aan de binnenkant van de mond. De bovenbekers zijn slanke, bijna cilindrische buizen met een smaller peristoom en twee richels, gericht op vliegende insecten. Het deksel is eirond en hartvormig aan de voet, zonder aanhangsels. Prooigegevens zijn niet gepubliceerd.

Standplaats en ecologie

Een soort met een breed scala aan standplaatsen in het gebergte, tussen 1100 en 2900 m. Als epifyt groeit hij in bemost nevelwoud en lager bergbos (B1); op de grond staat hij in gedrongen bovenmontaan bos op kammen en toppen, en in veenmoerasbos op grote hoogte, zoals rond het Kerinci-meer (B4). De vorm van de plant verschilt met de standplaats: epifyten zijn slanker, planten op open toppen gedrongener en sterker gekleurd. Rond Kerinci groeit hij samen met laaglandsoorten als N. mirabilis en N. ampullaria, wat de vele hybriden daar verklaart.

Verspreiding en hoogte

Endemisch op Sumatra, Indonesië, in de provincies Jambi, Zuid-Sumatra, Bengkulu en Lampung, van de berg Tanggamus in het zuiden tot het Kerinci-meer in het noorden. Hoogte: 1100 tot 2900 m. Een plant van Java, in 2006 als N. adrianii beschreven, wordt door sommige auteurs bij deze soort gerekend; de wereldchecklist noemt voor N. spathulata alleen Sumatra, en deze gids volgt dat. De gebiedsaanduiding in onze soortenlijst (Jambi, Zuid-Sumatra, Bengkulu) klopt, maar mist Lampung.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 5 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er worden geen variëteiten erkend. De kleur varieert sterk: van lichtgroene bekers met een donkerpaars peristoom tot geelbronzen bekers met een helderrood peristoom. De soort vormt veel natuurlijke hybriden, vooral in het veenmoerasbos bij het Kerinci-meer: met N. mirabilis, N. reinwardtiana, N. tobaica en N. ampullaria; verder met N. inermis in Jambi en met N. gymnamphora, en er is een zevende, onduidelijke kruising van de berg Belirang. De plaatsen rond Kerinci behoren daarmee tot de rijkste hybridezones van Sumatra.

Waar en wanneer te zien

Het gemakkelijkst te zien in de omgeving van het Kerinci-meer en op de bergen van de Kerinci-Seblat-regio, waar paden door bergbos en veenmoerasbos lopen. Zoek boven 1100 m naar spatelvormige bladeren en naar de grote onderbekers met hun opvallend verbrede peristoom bij de grond; de kleine, slanke bovenbekers hangen in de struiken en worden vaak voor een andere soort aangezien. In de hybridezones rond het meer zijn veel planten niet zuiver: kijk naar de vorm van het peristoom en de bladtextuur voordat je een naam geeft.

Staat van instandhouding

Op de Rode Lijst staat de soort als niet in gevaar (Least Concern, beoordeling 2018). Het areaal beslaat vier provincies en een grote hoogteamplitude, en een groot deel van de bergbossen ligt in beschermde gebieden zoals het nationaal park Kerinci Seblat. Plaatselijke risico's zijn de ontginning van veenmoerassen en bergbos voor landbouw, vooral aan de randen van het beschermde gebied. Als lid van het geslacht staat de soort in CITES bijlage II.

Wetenschappelijke naam

Nepenthes spathulata | Danser, 1935

Nepenthes spathulata werd in 1935 beschreven door Benedictus Hubertus Danser, in "A new Nepenthes from Sumatra" (Bulletin du Jardin Botanique de Buitenzorg, serie III, 13: 465-469). Het typemateriaal (Lieftinck 11) werd in januari 1935 verzameld door Maurits Lieftinck, op de berg Tanggamus nabij Lampung, Sumatra, op 2000 m hoogte; in 1997 werd het door Jebb en Cheek formeel tot lectotype aangewezen. De berg Tanggamus, nabij Lampung, Sumatra, Indonesië, op 2000 m hoogte. De naam is afgeleid van het Latijnse "spathulatus" ("spatelvormig") en verwijst naar de vorm van de bladschijf.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.