Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes talangensis

Nepenthes talangensis

Een kleine bekerplant van de hoogste delen van een actieve vulkaan in West-Sumatra, waarnaar hij genoemd is. Nepenthes talangensis werd al in 1918 verzameld, maar pas in 1994 door Nerz en Wistuba beschreven, daarna door Jebb en Cheek bij N. bongso ingedeeld, en door Clarke in 2001 weer als soort erkend. Kenmerkend zijn de gedrongen, geelgroene tot olijfkleurige bekers met rode spikkels en een breed, sterk naar binnen gekruld peristoom met duidelijke tanden. De soort is in het onderzoek naar de fysiologie van vleesetende planten een geliefd proefdier.

Nepenthes talangensis
Foto: Shawn Mayes — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Nepenthes talangensis — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: Shawn Mayes — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Nepenthes talangensis — de standplaats
De standplaats · Foto: Shawn Mayes — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een klimplant tot ongeveer 3 m, met een stengel tot 5 mm dik en leden tot 10 cm, soms vertakt. De bladeren zijn ongesteeld en leerachtig, lijn- tot lancetvormig of iets spatelvormig, tot 16 cm lang en 3 cm breed, met een spitse tot stompe top; de rand draagt rode, bruine of witte haren tot 3 mm. De rank wordt tot 30 cm. De onderbekers zijn eivormig of eivormig-trechtervormig, onder het peristoom versmald, tot 10 cm hoog en 6 cm breed, meestal met gefranjerde vleugels. Het peristoom is afgeplat, sterk naar binnen gekruld en tot 15 mm breed, met ribben die uitlopen in tanden tot 3 mm; de mond stijgt naar achteren op tot een korte hals. Het deksel is eirond tot elliptisch, tot 6 bij 5 cm. De bovenbekers zijn in de onderste helft smal trechtervormig en gezwollen, of geheel trechtervormig, tot 12 cm hoog, met een peristoom tot 24 mm.

Gelijkende soorten

Nepenthes bongso, waar de soort lang mee is samengevoegd, heeft een veel minder naar binnen gekruld peristoom, grotere bladeren zonder haarfranje, een afgeronde bladtop met de rank iets onder de top, en bovenbekers met een klierloze, cilindrische bovenzone; bij N. talangensis is de binnenwand geheel met klieren bekleed. De naaste verwant is N. aristolochioides, met koepelvormige bekers en een bijna verticale mond. Van N. eymae, N. flava, N. inermis, N. pitopangii en N. tenuis is hij te onderscheiden door de combinatie van een breed deksel zonder aanhangsels en een sterk naar binnen gekruld peristoom met duidelijke ribben en tanden.

De val en hoe hij werkt

Een valkuil zonder waszone: de hele binnenwand is met verteringsklieren bekleed. Het peristoom is bijzonder: het is sterk naar binnen gekruld, zodat ongeveer drie kwart van zijn oppervlak aan de binnenkant van de mond ligt, en zijn ribben, tot 0,8 mm hoog en 1 mm uit elkaar, lopen uit in tanden tot 3 mm die over de opening hangen. Een insect dat over het natte, gladde peristoom glijdt, belandt dus direct boven de vloeistof. De soort is gebruikt in fysiologisch onderzoek: proeven lieten zien dat het vangen van prooi de fotosynthese-efficiëntie verhoogt, en dat bemesting van de bladeren prooi deels kan vervangen.

Standplaats en ecologie

Bemost bovenmontaan nevelwoud (B1), tussen 1800 en 2500 m. De plant groeit bijna altijd op de grond, zelden als epifyt, zowel onder een dicht, beschaduwd bladerdak als tussen open, gedrongen struiken. Op de lagere hoogten deelt hij het mosbos met N. gymnamphora en N. inermis. De vulkanische bodem is zuur en arm, en het bos staat het grootste deel van de tijd in de wolken.

Verspreiding en hoogte

Endemisch op Sumatra, Indonesië, in de provincie West-Sumatra, en beperkt tot het vulkanisch massief waarnaar de soort genoemd is en een aangrenzende heuvel. Hoogte: 1800 tot 2500 m. Omdat de soort als bedreigd te boek staat, noemt deze gids geen precieze vindplaatsen. De gebiedsaanduiding in onze soortenlijst klopt met de literatuur en de wereldchecklist.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 2 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

De soort varieert weinig over zijn kleine areaal, en er zijn geen variëteiten erkend. De kleur is lichtgeel tot olijfgroen met rode of paarse spikkels; het peristoom is eerst geel of oranje en kleurt donker tot donkerrood of paars, en de onderkant van het deksel is vaak geheel rood. Bovenbekers zijn doorgaans lichter. Er zijn drie natuurlijke hybriden bekend: met N. bongso, N. gymnamphora en N. inermis. Die laatste lijkt op N. dubia, maar heeft een breder deksel dat nooit verder dan haaks teruggeslagen is en een naar achteren opstijgende mond.

Waar en wanneer te zien

De vulkaan is actief, en het gebied is om die reden en ter bescherming van de soort niet vrij toegankelijk; volg altijd de aanwijzingen van de autoriteiten over vulkanische activiteit. Deze gids geeft geen routes of plekken. Wie in het kader van een georganiseerd bezoek met een erkende gids in het bergbos boven 1800 m komt, herkent de soort aan de kleine, gedrongen bekers met het sterk naar binnen gekrulde, getande peristoom en aan de behaarde bladranden. Blijf op het pad en verzamel niets: elke plant op één berg telt.

Staat van instandhouding

Op de Rode Lijst staat de soort als bedreigd (Endangered; beoordeling uit 2000). Op grond van de beperking tot één berg zou de soort volgens de gangbare criteria zelfs voor ernstig bedreigd in aanmerking kunnen komen. McPherson (2009) schatte de wilde populaties echter als uitgebreid en niet ernstig bedreigd in. Opvallend is dat de vulkanische activiteit de soort eerder beschermt dan bedreigt: ze houdt bezoekers en ontginning op afstand. De soort staat in CITES bijlage II.

Wetenschappelijke naam

Nepenthes talangensis | Nerz & Wistuba, 1994

Beschreven door Nerz & Wistuba in december 1994, in Carnivorous Plant Newsletter, in het artikel "Five new taxa of Nepenthes (Nepenthaceae) from North and West Sumatra". Holotype Nerz 2501, berg Talang, West-Sumatra, Indonesië, op 2200 m hoogte, verzameld op 6 september 1986. De soort komt voor op 1800-2500 m, in hoger montaan bos op de berg Talang en het nabijgelegen Bukit Gombak. Vernoemd naar de berg Talang, haar typelocatie, plus het Latijnse achtervoegsel -ensis ("afkomstig uit").

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.