Alle soorten › Roofvogels › Havikachtigen › Amerikaanse blauwe kiekendief
Amerikaanse blauwe kiekendief | Circus hudsonius
Northern harrier | Aguilucho norteamericano
De Amerikaanse blauwe kiekendief is de Noord-Amerikaanse vogel die lang bij de blauwe kiekendief werd gerekend en sinds ongeveer 2016 als aparte soort wordt behandeld. Hij jaagt met dezelfde lage, wiegende zoekvlucht boven hetzelfde soort open land, en in Europa is hij een van de moeilijkst hard te maken dwaalgasten. Vrijwel elk Europees geval betreft een bruine vogel op het natte kustgrasland van een westelijk eiland.
Geluid
Buiten het broedgebied zwijgzaam, en een Europese dwaalgast hoort u nooit. Op de Noord-Amerikaanse broedmoerassen laat het mannetje in de baltsvlucht en bij verdediging van het nest een snelle, kekkerende reeks kek-kek-kek-kek horen en bedelt het vrouwtje bij de prooioverdracht met een klagend, aanhoudend psie-jew. Die geluiden zijn vrijwel gelijk aan die van de blauwe kiekendief en helpen niet bij het onderscheid.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Een kiekendief met de bouw van een blauwe kiekendief: lange vleugels in een ondiepe V, een lange staart en een trage, wiegende jachtvlucht laag over open terrein. Het adulte mannetje is lichtgrijs van boven en wit van onder, met een zwarte vleugelpunt en een witte stuit, maar draagt anders dan de blauwe kiekendief kleine roestbruine vlekjes op flanken en buik en heeft een donkerder, scherper begrensde achterrand aan de ondervleugel. Het adulte vrouwtje is donkerbruin van boven met okerkleurig gevlekte dekveren, een sterk gebandeerde staart, een witte stuit en zwaar gestreepte okerkleurige onderdelen. Het jeugdkleed bereikt Europa het vaakst en is het kleed om uit het hoofd te leren: diep oranjeroestbruin van onder, over de buik vrijwel ongestreept met donkere streping alleen op de borstzijden en de flanken, een donker gezicht met een opvallend bleke oogomlijsting en een brede donkere boa om de hals, en een sterk contrasterende ondervleugel waarop zwartachtige armpennen een gesloten donkere band vormen tegen bleke, fijn gebandeerde handpennen. Jonge mannetjes hebben een bleekgroengele iris, jonge vrouwtjes een donkere. Qua bouw oogt de vleugel een tikje langer en smaller dan bij een blauwe kiekendief, met een buitenste handpen die lang genoeg is om meestal vijf vingers te kunnen tellen.
Verwarringssoorten
Alles draait om de blauwe kiekendief, en het eerlijke uitgangspunt is dat de twee elkaar in bijna elk kenmerk overlappen, zodat heel wat vogels eenvoudig niet te benoemen zijn. De adulte mannen zijn nog het makkelijkst: een Amerikaans mannetje heeft roestbruine vlekjes op flanken, buik en ondervleugeldekveren waar het mannetje van de blauwe kiekendief zuiver wit is, en een donkerder, scherper afgetekende achterrand aan de ondervleugel, terwijl die bij de blauwe kiekendief grijs en zacht begrensd is. Bij vrouwen en vooral bij jonge vogels moet u een rijtje kenmerken afwerken en niet op één steunen. Kleur van de onderdelen: de jonge Amerikaanse is diep oranjeroestbruin en over de buik grotendeels ongestreept, met de donkere strepen beperkt tot de borstzijden, terwijl een jonge blauwe kiekendief bleker okerkleurig is en tot op buik en flanken doorgestreept. Contrast van de ondervleugel: bij de Amerikaanse vormen zwartachtige armpennen een gesloten donkere band tegen bleke handpennen, een contrast dat de blauwe kiekendief niet haalt, want die is grof gebandeerd over de hele breedte van hand én arm. Kop: de Amerikaanse heeft een donkerder, contrastrijker gezicht met een sterkere bleke oogomlijsting en een brede donkere boa om de hals. Stuit: het witte vlak is bij de Amerikaanse kleiner, rechthoekiger en scherper begrensd, bij de blauwe kiekendief groter en vager afgezet. Handpennen: de buitenste handpen is bij de Amerikaanse langer, zodat er meestal vijf vingers te tellen zijn, terwijl bij veel blauwe kiekendieven die buitenste pen korter is en er in de praktijk maar vier uitsteken — een verschil in gradatie, geen bewijs. Roestbruin getinte jonge blauwe kiekendieven bestaan en veroorzaken de meeste claims die sneuvelen, dus behandel elke kandidaat als blauwe kiekendief tot verschillende kenmerken dezelfde kant op wijzen, en fotografeer zo mogelijk de gespreide ondervleugel en de stuit. De andere grijze kiekendieven zijn een kleiner probleem: de grauwe kiekendief is slanker, met een spitse vleugel, slechts vier ingesneden handpennen en twee donkere strepen op de ondervleugel, en de steppekiekendief is bleker, met een smalle zwarte wig op de buitenste vier handpennen en een smalle bleke halskraag die als een boa om de hals sluit.
Leefgebied
Zoet en brak moeras, natte hooilanden, prairie en ruig grasland, jonge kapvlaktes en in de winter graanstoppels, kwelders en kustduinen. Broedt op de grond in dichte lage vegetatie en slaapt buiten de broedtijd gezamenlijk op de grond, net als de blauwe kiekendief. Europese dwaalgasten zijn vrijwel allemaal gevonden op nat, boomloos kustland: machair op de eilanden, kwelders, ruige weiden en ingepolderd moeras.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedt door heel noordelijk Noord-Amerika, van Alaska en Canada zuidwaarts tot in de noordelijke Verenigde Staten, en overwintert van de noordelijke staten tot Midden-Amerika en het noorden van Zuid-Amerika. In Europa is hij een echte dwaalgast: geen broedvogels, geen regelmatige overwintering en geen regelmatige doortrek. Groot-Brittannië en Ierland hebben samen een tiental aanvaarde gevallen, het eerste op de Scilly-eilanden in 1982 en de meeste andere sinds 2008 in Schotland, East Anglia en het zuidwesten, met een paar meldingen nog in behandeling; een vogel die in de winter van 1957 op 1958 bij Cley in Norfolk verbleef, is decennialang bediscussieerd en nooit aanvaard. Op het Europese vasteland ontbreken gevallen vrijwel geheel, en voor zover bekend staat de soort noch op de Nederlandse, noch op de Spaanse lijst. Elk genoemd aantal blijft voorlopig, want de eisen aan de determinatie zijn strenger geworden naarmate de kleden beter bekend raakten.
Waar en wanneer kijken
In de praktijk vindt u deze vogel door de blauwe kiekendieven af te werken, niet door naar een Amerikaanse te zoeken. Neem in oktober en november op een westelijk eiland — Scilly, de Buiten-Hebriden, West-Ierland — elke bruine kiekendief die over de machair jaagt, en leg de ondervleugel vast op het moment dat hij draait: de gesloten donkere armpenband tegen bleke handpennen scheidt een kandidaat van de vele roestbruine jonge blauwe kiekendieven. Let daarna in die volgorde op buik, koptekening en stuit, en aanvaard dat een vogel die u één keer kort en van onderen ziet, niet op naam te brengen is.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern), maar de aantallen in Noord-Amerika zijn de afgelopen decennia gedaald doordat prairie, natte hooilanden en moeras zijn ontwaterd en geploegd; in verschillende staten staat de soort als bedreigd of aandachtssoort te boek. Pesticideresten maakten de eierschalen in het midden van de twintigste eeuw dun en blijven een zorg op de achtergrond. In Europees verband liggen de beschermingsvragen volledig in Noord-Amerika; hier gaat het om een handvol gevallen, en het praktische probleem is dat een onbekend deel van de dwaalgasten onherkend tussen overwinterende blauwe kiekendieven doorglipt.




