Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers › Bonte vliegenvanger
Bonte vliegenvanger
Ficedula hypoleuca | European pied flycatcher | Papamoscas cerrojillo
De bonte vliegenvanger arriveert half april in het eikenbos en bezet binnen een week de nestkasten die de mezen nog niet in gebruik hebben. Het zwart-witte mannetje is een van de opvallendste zomervogels van de zandgronden; de vogels die je in augustus door de tuin ziet flitsen zijn bruine vrouwtjes en jongen, en die eisen meer werk.
Geluid
De zang is een kort, helder en wat weemoedig tsjie-tsjie-tsjuu-tsjuu-tsjie van vijf tot acht tonen, met een duidelijke wisseling tussen twee toonhoogtes en een licht opgaand slot; hij klinkt kalm en afgemeten, minder haastig dan die van een mees. Je hoort hem van half april tot begin juni, het felst in de eerste tien dagen na aankomst. De roep is een scherp, metaalachtig bit of whiet, vaak in serie, en bij onrust een klik-achtig tek.
Opname: Olivier Grimm — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Herkenning
Klein, compact en kortstaartig, met een rechtopstaande houding op een lage tak, vanwaar hij uitvalt en meestal op een andere tak terugkeert; hij tikt daarbij voortdurend met vleugel en staart. Het mannetje in voorjaarskleed is zwart boven en zuiver wit onder, met een grote witte vleugelvlek op de handpenbasis en de armpennen, een witte voorhoofdsvlek van één of twee stippen, en witte buitenste staartpennen. Het vrouwtje is grijsbruin waar het mannetje zwart is, met dezelfde witte vleugelvlek, maar kleiner en doffer. In het najaar lijken alle vogels op het vrouwtje: bruin, met een opvallende witte vleugelvlek, een lichte streep over de armpentoppen en witte staartzijden — dat is het kleed waarin je de soort hier het vaakst ziet.
Verwarringssoorten
De withalsvliegenvanger is de klassieke vergelijking: het mannetje heeft een volledige witte halsband, een groter en doorlopend wit vleugelveld dat ook op de handpennen breed is, en een witte stuit. De vrouwtjes zijn veel lastiger; let op de bredere witte basis van de handpennen en de grijzere, minder bruine bovendelen. Belangrijker in de praktijk is het vrouwtje van de gekraagde roodstaart: dat mist iedere witte vleugelvlek, is warmer beige onder en heeft altijd een roestrode staart en stuit, die het bij elk vertrek laat zien. Grauwe vliegenvanger is groter, langer, egaal grijsbruin en heeft geen witte vleugelvlek maar een gestreepte kruin en borst.
Leefgebied
Oud loof- en gemengd bos met veel dode takken, holtes en een open onderlaag: eikenbos, beukenhout, oude lanen, houtwallen en landgoedbossen, en overal waar nestkasten hangen. Op trek en in het najaar veel ruimer, in tuinen, parken, kustbosjes en struweel, waar hij zich verraadt door zijn jachtgedrag vanaf een uitkijkpost.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedvogel van Noord-, Midden- en Oost-Europa, met een geïsoleerd bolwerk in de bergbossen van Midden-Spanje. In Nederland eenentwintigduizend tot zesentwintigduizend paren, vooral op het Drents Plateau en de Veluwe en verder in het oosten; na een halvering tussen 1984 en 2002 herstelde de stand zich weer. Alle Europese vogels overwinteren in West-Afrika; in Spanje is de soort daardoor niet alleen broedvogel maar vooral een zeer talrijke doortrekker in augustus en september.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- Trekrichting
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
De laatste week van april in een oud eikenbos op de zandgronden, tussen zonsopgang en negen uur: mannetjes zingen dan vlak bij de nestholte en laten zich op ooghoogte bekijken. Voor het najaarskleed hoef je het bos niet in: kijk half augustus tot half september in kustbosjes en tuinen naar een klein, bruin vogeltje dat rechtop op een lage tak zit, met de staart tikt en steeds naar hetzelfde takje terugkeert — check dan de witte vleugelvlek en de witte staartzijden.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd, en in Noordwest-Europa de laatste decennia deels toegenomen, mede door het massaal ophangen van nestkasten in oude bossen. Toch staat de soort onder druk: door de opwarming lopen de eiken en de rupsenpiek steeds vroeger uit, terwijl de aankomstdatum uit West-Afrika minder snel opschuift, zodat de jongen na de voedselpiek uitkomen. In populaties waar dat verschil het grootst is, zijn de aantallen het sterkst gedaald.



