Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Dunbekwulp
Dunbekwulp
Numenius tenuirostris | Slender-billed curlew | Zarapito fino
De bleekste en fijnste van de wulpen, en de enige soort in deze gids waarvan met redelijke zekerheid vaststaat dat er geen levende vogels meer zijn. Wie hem wil leren kennen, is aangewezen op oude platen, een handvol foto's uit de jaren tachtig en negentig, en de balgen in de museumladen.
Van deze soort bestaat geen vrij gelicentieerde foto van een levende wilde vogel.
Geluid
De roep werd in de oudere literatuur beschreven als een koer-lie in de trant van de wulp, maar hoger, korter en dunner, met minder klankvolume, en daarnaast een scherp kwie-kwie bij verstoring. Geluidsopnamen zijn er nauwelijks; wat er bestaat is fragmentarisch en gaat schuil achter achtergrondgeluid. Wie de soort uit het veld wil kennen, kan zich dus niet op geluid verlaten, en dat is een van de redenen waarom claims van deze soort altijd op beeld moesten leunen.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Iets kleiner dan een wulp en aanmerkelijk slanker gebouwd, met langere poten en een rechtere houding. De snavel is kort voor een wulp, ongeveer anderhalf keer de koplengte, gelijkmatig taps toelopend en pas aan de punt duidelijk gebogen; bij volwassen vogels egaal donker zonder vleeskleurige basis. De kruin is donker maar zonder middenstreep. De onderdelen zijn wit met scherp afgetekende ronde tot hartvormige zwarte vlekken op de flanken, geen strepen of pijlpunten. Stuit, onderrug en staart zijn wit met smalle donkere banden, en de ondervleugel en oksels zijn helder wit, wat sterk afsteekt tegen de zwartachtige handpennen. De poten zijn grijsblauw.
Verwarringssoorten
Regenwulp en wulp zijn de twee ijkpunten. Tegenover de wulp is de dunbekwulp kleiner, bleker en veel slanker, en is het verschil in de snavel het duidelijkst: de wulp draagt een lange, gelijkmatig doorbuigende snavel van twee tot drie koplengten met een vleeskleurige basis, de dunbekwulp een korte, fijne, spits toelopende snavel die pas aan het uiteinde ombuigt. Tegenover de regenwulp is de dunbekwulp ongeveer even lang maar langpotiger en rankere van bouw, en mist hij de contrastrijke kruinstreping die de regenwulp juist zo herkenbaar maakt. Het beslissende kenmerk zit op de flanken: bij de dunbekwulp staan daar losse ronde tot hartvormige zwarte vlekken op wit, terwijl wulp en regenwulp streepjes, pijlpunten of dwarsbandjes dragen. Daarbij komt de opvallend witte staart met weinig en smalle banden, tegen de veel dichter gebandeerde en bruiner ogende staart van de andere twee. Jonge dunbekwulpen hebben strepen in plaats van vlekken op de flanken, wat de determinatie van elke geclaimde vogel meteen veel moeilijker maakt.
Leefgebied
Overwinterde op ondiepe brakke en zoute kustmoerassen, lagunes met slikranden, zoutpannen en aangrenzende natte weiden rond de Middellandse Zee en langs de Marokkaanse Atlantische kust; de laatste vogels hielden zich op in de lagune van Merja Zerga in Marokko. Op trek werden groepen gemeld van steppemeren en zoutmeren in Centraal-Azië en Oost-Europa. Het broedgebied is maar van één plek met zekerheid beschreven: veenmoerassen en natte open plekken in de bosgordel ten noorden van Omsk in Siberië, waar tussen 1909 en 1925 nesten werden gevonden. Isotopenonderzoek aan museumveren wijst op een broedgebied dat verder zuidelijk lag, in een smalle band door Kazachstan rond de vijftigste breedtegraad.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Historisch een vogel van de trekweg tussen West-Siberië en Noordwest-Afrika, met winterconcentraties in Marokko, Tunesië, Italië, Griekenland en Turkije, en doortrek over de Zwarte Zee en de Balkan. Nederland kent negen aanvaarde gevallen, alle uit de periode van 1856 tot 1947 en driekwart daarvan uit november tot februari; het waren destijds geschoten vogels, en ze laten zien dat de soort hier ooit een regelmatige wintergast was. De laatste, van 23 januari 1947, ligt bijna tachtig jaar achter ons. In Spanje ging het om een schaarse wintergast in de zuidelijke moerasgebieden. Van de wereldpopulatie zijn nooit meer dan enkele honderden vogels tegelijk geteld.
Waar en wanneer kijken
Er valt niets meer te zoeken, en dat eerlijk zeggen is nuttiger dan een zoektip verzinnen. Wat wel zin heeft: leer het kenmerkenpatroon zo goed dat je weet waar de valkuilen zitten, want elke paar jaar duikt er ergens rond de Middellandse Zee een bleke, fijnsnavelige wulp op die als dunbekwulp wordt gemeld. Fotografeer in zo'n geval de gespreide staart, de ondervleugel en de flank, want juist die drie beslissen. Wie de soort in het echt wil zien, kan terecht in de museumcollecties: Naturalis in Leiden bewaart een balg, en de grote Europese natuurhistorische musea hebben er samen enkele honderden.
Staat van instandhouding
Dit is het zwaarste geval in deze gids. De laatste algemeen aanvaarde waarneming is die van februari 1995 bij Merja Zerga in Marokko, gefotografeerd; dat is ruim dertig jaar geleden. Alles wat daarna is geclaimd, is bij toetsing gesneuveld of omstreden gebleven, waaronder de veelbesproken vogel van Druridge Bay in Northumberland uit mei 1998, die na herbeoordeling in 2014 weer van de Britse lijst is gehaald. Een kwantitatieve analyse uit november 2024, geleid door Graeme Buchanan van de RSPB, kwam uit op een kans van ruim negenennegentig procent dat de soort is verdwenen, waarschijnlijk al in het midden van de jaren negentig. De IUCN heeft de dunbekwulp op 10 oktober 2025 in de categorie Uitgestorven geplaatst. Deze gids kent alleen de categorieën tot en met Ernstig Bedreigd en houdt daarom CR aan; dat is een beperking van dit boek, niet de huidige stand van zaken. Wat de soort de das om deed, is nooit met zekerheid vastgesteld: de meest genoemde factoren zijn jacht langs de trekweg, ontwatering van de Siberische veengebieden en het verlies van de moerassen rond de Middellandse Zee, bij een populatie die toen al klein was. De les die er wel uit te trekken valt, is dat een soort die zeldzaam is en waarvan het broedgebied onbekend blijft, praktisch onbeschermbaar is.



