Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Regenwulp
Regenwulp
Numenius phaeopus | Whimbrel | Zarapito trinador
De regenwulp is de wulp van de trekperiode: eind april en begin mei trekken duizenden in strakke lijnen over het land, roepend met een reeks korte fluittonen die je op de fiets al herkent. Op de grond is hij compacter en donkerder dan de wulp, en veel nadrukkelijker getekend op de kop.
Geluid
Onmisbaar en volstrekt eigen: een snelle, gelijkmatige reeks van vijf tot zeven korte fluittonen op één toonhoogte, pu-pu-pu-pu-pu-pu-pu, ratelend en vrolijk, die de vogel zowel overdag als 's nachts in de vlucht laat horen. In Nederland is dit het geluid van de laatste week van april. Op het broedgebied zingt het mannetje in een zweefvlucht met een langgerekte, bubbelende triller die op die van de wulp lijkt maar sneller en hoger is. Bij verstoring op de grond een kort, scherp kwi-kwi.
Opname: Luis Alvarez Menendez — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Herkenning
Als een wulp, maar kleiner, donkerder en met een snavel die niet gelijkmatig doorbuigt maar op tweederde een duidelijke knik maakt; hij is ongeveer anderhalf keer de koplengte, tegen twee tot drie keer bij de wulp. De kruin is het beslissende kenmerk: twee brede donkere kruinstrepen met daartussen een lichte middenstreep, plus een donkere oogstreep en een lichte wenkbrauw. De bovendelen zijn koeler bruin en contrastrijker geschubd dan bij de wulp. In vlucht een spitse witte wig op de rug bij de Europese ondersoort, een fijn gebandeerde ondervleugel en opvallend snellere, stijvere vleugelslagen. Jonge vogels zijn in het najaar warmer gezoomd, maar de kopstreping is even duidelijk.
Verwarringssoorten
De wulp is de enige echte verwarringssoort en heeft een langere, gelijkmatig gebogen snavel, een egale, ongestreepte kruin, warmer bruine bovendelen en tragere, zwaardere vleugelslagen; ook roept hij heel anders. Rosse grutto heeft een rechte tot licht opgewipte snavel en korte donkere poten. De Amerikaanse ondersoort hudsonicus, een zeldzame dwaalgast, mist de witte rugwig en heeft een donkere stuit: kijk daar altijd even naar bij een regenwulp die in vlucht verrassend donker oogt.
Leefgebied
Op trek verrassend veelzijdig: kwelders en slikplaten, maar evengoed graslandpolders, akkers met stoppel, duinvalleien en heide. Op het wad eet hij vooral krabben en garnalen, in het binnenland emelten, wormen, kevers en in het najaar ook bessen. Slaapt in dichte groepen op zandplaten en kwelders. Broedt op open hoogveen, toendra, heide en berkentoendra, in IJsland ook op begraasd cultuurland.
Verspreiding en trek
Broedt in IJsland, Schotland, Fennoscandinavië en door arctisch Rusland en overwintert langs de kusten van West-Afrika. Nederland is vooral een tankstation: de voorjaarstrek eind april en begin mei is spectaculair, met slaapplaatsen van duizenden vogels op de Waddeneilanden en langs de Friese kust, en de najaarstrek loopt breder van juli tot september. In Spanje trekt hij langs beide kusten door, met de grootste aantallen langs de Atlantische kant, en overwinteren kleine aantallen in de baai van Cádiz en in Huelva.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- Trekrichting
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
De laatste week van april is het moment. Ga aan het eind van de middag naar een polder of kweldergebied op Texel, Terschelling of Vlieland en wacht tot de groepen vanaf het land naar de slaapplaats komen; ze arriveren laag en luidruchtig, vaak in slierten van tientallen. Wie niet aan de kust zit, kan in dezelfde week met open raam of buiten in de tuin de nachtelijke trek beluisteren: die reeks fluittonen boven een dorp is onmiskenbaar. In het najaar zijn juli en augustus rustiger maar geven ze langer de tijd om vogels op de grond te vergelijken met wulpen.
Staat van instandhouding
Least Concern; de wereldpopulatie is groot en de IJslandse broedvogels, die de Europese trek domineren, doen het goed. In Fennoscandinavië loopt het aantal broedparen wel terug door ontwatering en bebossing van veengebieden en door verruiging van heide, en in Schotland is de soort tot een handvol plekken op de Shetlands en Orkneys teruggedrongen. Voor doortrekkers is de kwaliteit van de kwelders en graslanden langs de route beslissend; verstoring van slaapplaatsen op de eilanden is daarbij het punt waar beheer het meest kan uithalen.
Andere soorten in deze familie
Oeverloper · Steenloper · Drieteenstrandloper · Bonte strandloper · Kanoet · Krombekstrandloper · Paarse strandloper · Kleine strandloper · Kemphaan · Temmincks strandloper · Watersnip · Rosse grutto · Grutto · Bokje · Wulp · Rosse franjepoot · Grauwe franjepoot · Houtsnip · Zwarte ruiter · Bosruiter · Groenpootruiter · Witgat · Tureluur